Museum Prototyp

Hamburg (D)




●  Nieuw elan voor oude fabriek
●  Terugblik op beroemde renners en ontwerpers
●  Nadruk op Volkswagen en Porsche
●  Auto's en hun achtergronden
● 
Verschillende bijzondere modellen


augustus 2011
 

  


Artistieke hommage aan grote mannen van toen
 

Het artistiek opgezette Museum Prototyp in Hamburg eert oude auto-ontwerpers, -technici en -coureurs. De door hen ontworpen en gereden auto’s hebben een ereplaats gekregen in een opgeknapte oude fabriek in het havengebied. De collectie is beperkt maar boeiend. Het museum is met veel zorg en oog voor sfeer en detail ingericht.

 

Het oude havengebied van Hamburg krijgt een nieuw aanzien.

Het oude havengebied van Hamburg ondergaat een grootse metamorfose. Een stedebouwkundig masterplan voorziet in een toekomst waarbij een verloederend gebied plaats maakt voor een levendig stadsdeel. HafenCity is een prestigeproject van stadsbestuur en projectontwikkelaars. Het moet leiden tot een sociaal-economisch bloeiende omgeving voor wonen, werken, recreëren en studeren. Er komt woonruimte voor 12.000 mensen. De universiteit krijgt er een plek. Over een paar jaar zijn er 1600 studenten. Grote en kleine bedrijven zullen er hun plek vinden, met nadruk op creatieve ondernemingen en jonge ondernemers. Tussen de historische fabrieken en loodsen van baksteen verrijzen moderne kantoorgebouwen. Oude en nieuwe gietijzeren bruggen verbinden de verschillende delen van het havenkwartier. In oude pakhuizen zijn kleine bedrijfjes gevestigd. Unilever heeft er een heel nieuw hoofdkantoor betrokken. Eén van de oude fabrieken is herschapen tot een automuseum, Prototyp. De pers heeft erover geschreven, maar wat nou precies de opzet is, blijft onduidelijk. De website ziet er artistiek uit, maar echt wijzer word je er niet van. Alle reden dus om zelf eens een kijkje te gaan nemen.
 

Oude en nieuwe gebouwen worden tot één geheel gesmeed in de wijk.

De weg naar het automuseum is goed aangegeven. Het markante gebouw zie je al van ver.

In de buurt aangekomen, kun je de nieuwe bestemming van de fabriek niet missen. 

Verbannen
Vanuit het centrum is de rand van de nieuwe wijk met de ondergrondse gemakkelijk te bereiken. Vanaf het U-Bahn station Messberg is het nog een minuut of tien lopen. Voetgangers worden verschillende keren naar de rijbaan verbannen omdat de stoep nog niet klaar is. Stratenmakers zagen tegels. Het geluid gaat door merg en been. De wijk is duidelijk nog lang niet af. Bewegwijzering is er gelukkig al wel en die is voorbeeldig. Dat is hard nodig. HafenCity is geen toonbeeld van overzichtelijkheid. Het heeft alles van een onoverzichtelijke nieuwbouwwijk. De bouwkranen en wegenbouwers versterken die sfeer. Bovendien is er in een havengebied veel water. Het is belangrijk de juiste brug te nemen om te komen waar je wilt zijn.
De stad wil graag toeristen naar het nieuwe gebied trekken. Twee musea moeten daaraan bijdragen, het maritieme museum en Automuseum Prototyp.
 

Automuseum Prototyp: een oude fabriek maar een moderne ingang.

Schoon beton
Van veraf is ons doel herkenbaar. De entree is opmerkelijk. De ontvangst en kassa zijn op de eerste verdieping, te bereiken via moderne trappen, uitgevoerd volgens de architectonische mode in zogeheten schoon beton. Via diezelfde trappen moet je later weer naar de zaal op de begane grond. Zonder te betalen zou je zo de benedenruimte kunnen bezichtigen. Daar gaat men in gedisciplineerd Duitsland niet van uit. Je zou trouwens heel wat missen. De eerste verdieping is het hart van het museum.
De eerste kennismaking is verrassend. De inrichting is modern en doordacht. Artistiek ook. Wit domineert: vloeren, muren, pilaren, steunbalken, plafonds en meubilair, alles smetteloos en kleurloos. De auto’s krijgen als vanzelf extra attentiewaarde. Hier zijn creatieve vaklieden aan het werk geweest.
 

Muren, pilaren, vitrines, plafonds, verlichting, vloer: alles is wit.

Personenkraftwagen
Bij Prototyp draait het om de drie lettergrepen van het Duitse woord voor personenwagen: Personen, Kraft en Wagen: mensen, vermogen en auto’s. Zonder de mensen zou de auto niet bestaan. Ze hebben het vermogen tot creativiteit en innovatie. Auto's vertellen verhalen: van hun ontwerpers en hun berijders. Zeker bij coureurs is er zelfs een emotionele band tussen mens en machine. Dit alles wordt de bezoeker bij de ingang meegegeven.
Prototype is het particuliere initiatief van twee Hamburgse zakenlieden, Oliver Schmidt en Thomas König. Zij willen het enthousiasme voor auto’s verbinden met beroemde namen van ontwerpers en rijders.
 

Onderdeel van de expositie zijn - achter glas - de werkplaatsen waar aan de klassiekers wordt gewerkt.

Otto Mathé racete in deze Cisitalia D46 (links) en in zijn eigen wagen (rechts). 

Racerij
Speciale aandacht is er voor de coureurs Otto Mathé en Petermax Müller. Zij pakten in het verslagen Duitsland van na de Tweede Wereldoorlog met bescheiden middelen het autoracen weer op. Veel geld of materiaal was er niet. Maar de Volkswagen bood uitkomst. De Kever was in de jaren dertig ontstaan, had tijdens de oorlog zijn diensten bewezen en begon erna aan een bliksemcarrière. Het ontwerp van Ferdinand Porsche kon vele doelen dienen. Vandaar dat in het museum de Volkswagen veel nadruk krijgt, plus alle ervan afgeleide modellen, met inbegrip van het sportwagenmerk Porsche.
In de beginjaren van de racerij draaide het om zelfgebouwde modellen. Enkele van die unieke auto’s zijn hier bij elkaar gebracht. Als aanvulling zijn er serieproducten die er op één of andere wijze een band mee hebben. Ondanks de nadruk op snelheid en racerij, is het geen racewagenmuseum. Daarvoor is de niet al te grote collectie te veelzijdig. Naast de auto’s is er veel achtergrondinformatie. In vitrines liggen originele documenten en voorwerpen.

 

Veel van de racewagens zijn unieke producten. Rechts een Ludewig Formule 3 van 1948 met Zündapp-motor.

De toelichting spreekt voor zich.

Otto Mathé
Zes voertuigen zijn afkomstig uit de nalatenschap van de Oostenrijker Otto Mathé (1907-1995). Eén ervan is uitsluitend om die reden een museumstuk, want een groene Volkswagenbus is op zich niets bijzonders. De vroegere eigenaar maakt ‘m echter tot een relikwie. De coureur, technicus en handelsman Mathé vierde triomfen op de fiets, de motorfiets en daarna met racewagens. In 1934 raakte hij bij een ernstig ongeluk één arm kwijt. Het belette hem niet een bloeiende technische onderneming op te bouwen, zelfs al moest hij het nodige handwerk doen. Enkele jaren voordat Felix Wankel ermee kwam, bouwde hij een draaizuigermotor. Verder ontwikkelde hij Mathé Universal, een additief voor motorolie. Ondanks het ongeluk lukte het niet de racerij te vergeten. Hij kroop weer achter het stuur en racete met de gestroomlijnde Berlijn-Rome-Berlijn auto van Ferdinand Porsche. Later ontwierp hij zijn eigen racewagen, de Fetzenflieger, op basis van Porsche-techniek. In zijn vaderland werd hij een levende legende.
 

De Volkswagenbus uit 1966 van racer Otto Mathé die geld maakte met zijn Universal olie-additief.

Op basis van Porsche-techniek bouwde hij in 1952 zijn eigen racewagen, de Fetzenflieger.

Petermax Müller
De andere museumheld is racer Petermax Müller (1912-2002). Uit overgebleven resten van auto’s in de gebombardeerde Volkwagenfabriek schiep hij tussen 1946 en ’49 zes racewagens. Hij werd daarmee Duits kampioen. De wagens lijken op de Wanderers die hij voor de oorlog reed in de race Luik-Rome-Luik. Het museum bezit Müllers eigen racewagen van 1949, één van de twee overgebleven auto’s. Hij vestigde er het wereldsnelheidsrecord van 215 km/u mee. Dat deed hij met een Volkswagenmotor van slechts 1100 cc, maar opgevoerd tot 78 pk. De lichtmetalen carrosserie weegt slechts 550 kilo.
Erg lang hield het record niet stand. Twee jaar later noteert een NSU-snelheidsrecordwagen een top van 261 km/u. De motor is nog kleiner, 500cc. De vormgeving en het ultralichte gewicht van 290 kilo zijn twee belangrijke factoren. Prototyp laat de bezoeker ook deze NSU zien.
 

Petermax Müllers eigen racewagen van 1949. De techniek is afkomstig van Volkswagen.

De NSU brak al spoedig het record. Met 500cc werd een snelheid van 261 km/u gereden.

Porsche
Het museum toont verschillende andere modellen gebaseerd op Volkswagen-techniek. Het beroemdst is natuurlijk de Porsche 356. Hier staat voor zover bekend de oudste die in Stuttgart is gemaakt, nadat Porsche zijn bedrijf had verhuisd vanuit Gmünd in Oostenrijk. Op het spatbord prijkt het plaatje van carrosseriebedrijf Reutter. Dat maakte voor Porsche de koetswerken totdat de sportwagenfabrikant het familiebedrijf overnam.
Dannenhauer en Stauss, ook gevestigd in Stuttgart, gebruikte de Kever als basis voor elegante coupés en cabriolets. De vormgeving houdt het midden tussen een Volkswagen en een Porsche. De achterlichten zijn hetzelfde als die van de sportwagen.
Minder bekend zijn de modellen van Wolfgang Denzel, een Oostenrijkse coureur, technicus en ondernemer. Het museum toont er maar liefst twee. Eén ervan stamt uit 1949 en heeft een carrosserie van Kastenhöfer uit Wenen. De bezoeker komt dit allemaal te weten via informatiepanelen met bewegende beelden in de vloer.
 
 

De oudste Porsche 356 (1950) uit Stuttgart, met koetswerk van Reutter.

Porsche 718 racewagen uit 1960, 1600 cc, 165 pk, 260 km/u.

Dannenhauer en Stauss maakte op basis van de Kever deze elegante cabriolet. De deuren sluiten aan de voorkant.

Het bedrijf zette zijn "handtekening" op het spatbord. Rechts het dashboard.

De Oostenrijker Wolfgang Denzel schiep zijn eigen creaties op basis van de VW-techniek. Het museum heeft er twee.

Het interieur en de achterkant van de Denzel 1500, bouwjaar 1954.

In de vloer zijn kleine informatiepanelen gemaakt met wisselende teksten en beelden. Verder informatie in vitrines.


Borgward
Er staan ook twee echte Volkswagens. De ene Kever is van 1947, toen de Britten nog de zeggenschap over de fabriek in Wolfsburg hadden. De andere is een politiewagen van koetswerkbouwer Papler uit Keulen. Deze stamt uit 1951. Anders dan de gewone Kever heeft de auto vier deuren.
Een Borgward Coupé doet de museumnaam eer aan. Het is een echt prototype. Slechts drie zijn er gemaakt. De fabrikant showde ze op tentoonstellingen, maar tot productie is het nooit gekomen. Een overmaats merkvignet domineert de voorkant. Voor de achterkant hebben de ontwerpers zich laten inspireren door Porsche. Een kofferklep vonden ze niet nodig. Er is alleen een klepje voor de brandstofopening. Nou ja, klepje...
 

Een hele oude Kever uit 1947, nog door de Engelsen gemaakt en een politiewagen van Papler.

De politie-Kever is niet alleen dakloos, maar heeft ook vier deuren.

In een vitrine liggen originele brochures en andere voorwerpen die de Volkswagen-historie vertellen.

Borgward Sportcoupé, een prototype. De auto haalde wel de tentoonstellingen, maar niet de productie.

Geen kofferklep maar wel een grote klep voor de benzinedop.

Het merkbeeld is wel héél erg groot uitgevallen. Rechts de sportwielen van de wagen.

Sascha
Minstens zo markant is een eigengebouwde racewagen van Helmut Polensky, motor- en autocoureur. De auto ontstond in 1950. Polensy gebruikte een motor van BMW en de aandrijving en versnellingsbak van een Volkswagen Kübelwagen.
Hoewel voor de oorlog de merken Volkswagen en Porsche nog niet bestonden, gaat het museum toch ver terug in de tijd. Technisch genie Ferdinand Porsche was immers al veel langer actief. In de jaren twintig ontwierp hij de racewagen Sascha voor zijn werkgever Austro-Daimler. Er zijn er een handjevol van gemaakt. Twee zijn er overgebleven. Eén staat hier, de ander in het Porsche-museum in Stuttgart.
Met een productie van ruim vierhonderd is een BMW 328 veel minder exclusief. De ervan afgeleide Formule 2-racewagen echter des te meer. Alexander von Falkenhausen bouwde er zes.
Het museum trekt de geschiedenis door naar de moderne tijd met enkele moderne racewagens, waaronder een BMW en Audi.
In dezelfde hoek staat - ogenschijnlijk verdwaald - een legergroene terreinwagen. Toch past de wagen hier wel. Het is namelijk een Porsche én een prototype, in 1956 gepresenteerd aan het Duitse leger. Zeventig werden ervan gemaakt. Ondanks de kwaliteiten koos het leger niet voor de Porsche maar voor de goedkopere DKW.

 

Helmut Polensy's racewagen uit 1950 met motor van BMW en aandrijving van VW.

Ferdinand Porsche is de geestelijke vader van de racewagen Sascha van 1922.

De auto werd gemaakt door de Oostenrijkse fabrikant Austro-Daimler, waar Porsche toen voor werkte.

Links de Formule 2-racewagen van Alexander von Falkenhausen, met een motor van de BMW 328 (rechts).

Racewagens uit latere jaren. Links een BMW, rechts het prototype van een Audi racewagen, R8R uit 1998.

Prototype van een Porsche legerwagen. Het leger koos echter voor een ander model.


Virtuele boeken
Prototyp mikt op de toevallige passant en op de gespecialiseerde liefhebber. Behalve auto’s kijken, kan de bezoeker grasduinen in literatuur en zich verdiepen in achtergronden. Op beeldschermen kun je door virtuele boeken bladeren. Er zijn echter ook planken met gewone boeken en bankjes waar je rustig kunt gaan zitten lezen. Het café serveert er graag koffie met koek bij. De bar is geheel in stijl en heeft een ingebouwde vitrine. Daarin staan schaalmodellen van verschillende uitvoeringen van de Fuldamobil.
Aan de muur hangen originele prenten en tekeningen, destijds gemaakt als basis voor reclamemateriaal en affiches. In één van de grote vitrines staat een serie blikken speelgoedauto’s, Porsches. Ze werden tussen 1955 en 1962 gemaakt, rijden op een batterij en zijn op afstand te besturen. Destijds kostte zo’n wagentje DM 14,75. Op veilingen brengen ze nu tot 3.000 euro op. Zelfs in het klein is een Porsche waardevol.
 

Links de kop van Ferdinand Porsche, rechts één van de beeldschermen met virtuele autoboeken.

De koffiebar is geheel in stijl met een ingebouwde vitrine.

Daarin staan miniaturen van de Fuldamobil, een Duitse driewieler uit de jaren vijftig.

Aan de muur originele prenten, bedoeld om gebruikt te worden voor reclamedrukwerk.

Porsches in het klein zijn altijd gewild speelgoed geweest.

Deze modellen brengen vandaag de dag wel tot 3000 euro op.

Begane grond
Wie boven genoeg heeft gezien, gaat naar de begane grond. Het Schaudepot presenteert een niet minder wonderlijke verzameling.
Veel samenhang tussen de auto’s is er niet, al is er vrijwel altijd één of andere relatie met Volkswagen of Porsche of met de coureurs. Aan curiositeiten geen gebrek. Een roestige carrosserie bijvoorbeeld, van de sloop gered. Het is niet zomaar een bonk roest. Het zijn de restanten van een eigen racewagen, de droom van Petermax Müller. Het project uit 1953 haalde de eindstreep echter niet. De carrosserie bleef verweesd achter, ergens op een akker. Nu is het een museumstuk, als eerbetoon aan de bedenker. Het lijkt een trend in automusea: originele maar volledig verroeste auto’s tentoonstellen en ze niet restaureren.
 

Het Schaudepot laat een deel van de collectie zien als er geen speciale wisseltentoonstelling is.

Niet meer dan een stuk roest, maar wel een heel historisch stuk, belangrijk genoeg om te bewaren.

Bezoekerstreintje
Een rood-wit gevaarte met een groot VW-embleem op de lange neus trekt ook de aandacht. Het is de locomotief van een bezoekerstreintje voor pretparken en evenementen, gebouwd in 1954. Een Volkswagen-motor zorgt voor de aandrijving. Dit exemplaar is een proefmodel, gebruikt op het terrein van de Volkswagenfabriek en later in de Berlijnse dierentuin.
Bij de VW-fabriek werd in de jaren vijftig ook een kleine pick-up ingezet voor goederenvervoer. Uit het ontwerp kwam de beroemde Volkswagenbus voort. Enkele exemplaren zijn bewaard gebleven. Een vergelijkbaar model staat in het Volkswagenmuseum in Wolfsburg. Verder zien we hier een aantal Porsches, een ‘Herbie’-Kever, een Schwimmwagen een opengewerkte Hanomag Kommi
ßbrot. Niet alle modellen zijn even exclusief. Sommige zijn ook in andere musea te zien.
 

De locomotief van het treintje dat dienst deed in de VW-fabriek en de Berlijnse dierentuin.

Links een VW Schwimmwagen, rechts de voorloper van de Volkswagenbus.

Ook beneden ligt de nadruk op Porsche; links een 356, rechts een 911 GT3RS uit 2004.

Porsche 356 Cabriolet. Daar zie je er meer van in musea.

Een vooroorlogse volkswagen (met kleine letter), de Hanomag Kommißbrot als opengewerkt model.

Krochten
Prototyp heeft ook nog een kelder. Hier staan weliswaar geen auto’s, maar toch is het een integraal onderdeel van de gehele presentatie. In de krochten van de oude fabriek vinden we verschillende deeltentoonstellingen met foto’s en curiosa rond racelegenden en snelheidsduivels. De binnenhuisarchitect en tentoonstellingsontwerper hebben zich ook hier van hun beste kant laten zien. De oorspronkelijke vormgeving van de kelders is mooi in het ontwerp opgenomen.
Het waardevolle van het verleden moet ingepast worden in de moderne tijd om zo voor de toekomst behouden te blijven. Dat is de filosofie van het museum. De stedebouwkundigen van Hamburg denken er net zo over. Daarom past Prototyp zo mooi in de nieuwe oude haven van deze Hanzestad. 
 

In de kelder van de oude fabriek zijn deeltentoonstellingen over racen en coureurs.

Foto's vertellen de verhalen van triomfen en teleurstellingen.

Eén van de beroemde coureurs was Bernd Rosemeyer, in 1938 omgekomen bij een wereldsnelheidsrecordpoging.

   .

 

Het nieuwe havengebied van Hamburg, volop in ontwikkeling.