Zylinderhaus

Bernkastel-Kues (D) 


●  Nieuw automuseum
  Bijna alleen Duitse auto's
  Veel oog voor detaillering
  Voormalige collectie Geerts
  Benarrow-sportwagens
 
 
november 2018
 

  


Een nostalgische reis met liefde voor details   
 

Het Zylinderhaus in toeristenoord Bernkastel-Kues aan de Moezel is het jongste automuseum van Duitsland. Medio 2017 werden de eerste bezoekers verwelkomd. Het privé-initiatief van een enthousiasteling zorgt voor een nostalgische reis in het Duitse autoverleden. Opvallend is de liefde voor het detail waarmee de inrichting is opgezet. Naast vaak in musea geziene auto’s, staat er ook een aantal zeldzame uitvoeringen. Bovendien maken we kennis met een zeer exclusief Duits automerk.


Het navigatiesysteem weet niet helemaal raad met het adres van het museum. De straat is bekend, maar niet in combinatie met het huisnummer. Bij binnenkomst van het stadje blijkt dat geen enkel probleem. Aan de overzijde van de rotonde valt het grote, rode bakstenen gebouw meteen op. Het is zo te zien een oude fabriek, met hoog op de gevel het woord Museum. Het is nog even zoeken naar parkeermogelijkheden. Die zijn er op straatniveau bij een autowasserette. Bezoekers worden echter geacht naar boven te rijden tot voor de deur van het museum, dat tegen de heuvel en dus wat hoger ligt. Bij de kassa wordt het mysterie van de navigatie snel opgelost. Het adres is relatief nieuw. In tegenstelling tot wat je denkt, staat het gebouw er nog maar een goed jaar. Het lijkt een oude fabriek of opslagplaats, maar is dat niet. Het is helemaal nieuw ontworpen en gebouwd met een staalconstructie als dragende elementen.
Het museum is uitvloeisel van de hobby van Bernd Benninghoven, voormalig topman van het gelijknamige familiebedrijf uit Mülheim aan de Moezel, machinebouwer en internationaal toonaangevende fabriek van asfaltmixers. Zijn belangstelling voor oude auto’s heeft niet alleen tot dit museum geleid, maar ook tot een restauratiebedrijf om ze in oude glorie te herstellen. De museumcollectie is wat dat betreft het visitekaartje van Benarrow Oldtimer Garage, zoals de onderneming heet. Binnenkort start een nieuwe activiteit: de verkoop van klassiekers. De autohobby leidde eerder tot de introductie van een eigen, uiterst exclusieve sportwagen, de Benarrow PB5. Die werd in 2008 geïntroduceerd (zie kader).
 

Het gebouw lijkt oud, maar is gloednieuw. Het werd speciaal als museum neergezet.

Dorpje
Binnen in het Zylinderhaus wordt direct zichtbaar dat het verleden hier centraal staat. De klassieke vormgeving van de gevel is niet toevallig gekozen. Het is de bedoeling dat de bezoeker zich weer even terug in de tijd waant. Oude winkeltjes in een straatje vormen de omgeving van de gepresenteerde auto’s. Die zijn vrijwel allemaal van Duitse makelij of hebben een duidelijke relatie met Duitse merken. Voor buitenlandse merken moet je in andere musea zijn.
Bij de kassa krijgen we uitleg over de opzet. De ingang is links en daarna wijst de route door het nagemaakte dorpje zich vanzelf. Achterin is een trap naar boven. Op de eerste etage is een collectie klassieke motorfietsen ondergebracht, in gezelschap van een oud draaiorgel. Tegen betaling laat dat graag zijn klanken horen. Er staat ook een Borgward Isabella. Neem gerust plaats om te ervaren hoe dat is of een foto te maken, wordt ons aangeraden. Op de tweede verdieping staan onder meer oude flipperkasten en andere mechanische spellen. Die mag je gebruiken zonder er geld in te gooien.
Het is inmiddels tweede helft van de ochtend. Trots op het museum alsof ze het zelf heeft ingericht, vindt de dame bij de kassa het onbestaanbaar als we voor de lunch al uitgekeken zouden zijn. Ze beveelt de buren van harte aan: het restaurant dat in hetzelfde pand is gehuisvest. Daarna kunnen we ons bezoek voortzetten, mits we de toegangsbewijzen en de kassabonnen goed bewaren. Zo’n advies sla je niet in de wind.
 

Terug naar vroeger jaren met een oud dorpsgezicht.

Originele tijdschriften in de kiosk, onder meer over de  introductie van de Ford Taunus.

Overal in het gebouw zijn elementen van vroeger ingebracht.

Rekord
We beginnen onze nostalgische ontdekkingstocht bij Opel en Mercedes. De auto’s staan op merk, soort of tijdvak bij elkaar. Links van het gangpad staan Mercedessen, rechts een aantal Opels. Al meteen komt de alleraardigste opzet van het geheel naar voren, een combinatie van bekende alledaagse oude auto’s met bijzondere, daarvan afgeleide varianten. Zo zien we twee Opels Rekord P1; de ene is een luxe tweekleurige variant met tal van extra's, de andere een (eenmalige?) cabrioletversie. De blauw-witte lijkt op een Rekord Ascona die destijds alleen in Zwitsersland te koop was, maar de vorm van de sierstrip verschilt. De cabriolet is door de afdekschermen bij de achterwielen net een Amerikaanse slee die te heet is gewassen en daardoor gekrompen. Op het hoekje staat een Bitter SC. De ontwerpers hebben destijds de folder van de Ferrari 365GT4 op hun tekentafels geprikt toen ze aan het ontwerp van de coupé startten. Van deze op Opel-techniek gebaseerde exoot zijn er tussen 1981 en 1989 circa 600 gebouwd, aldus het informatiebordje. Bij elke auto staat er een, met daarop basisinformatie als het aantal cilinders, vermogen, cilinderinhoud, topsnelheid, gewicht, aantal geproduceerde exemplaren en de huidige verkrijgbaarheid. "Heutige Verfügbarkeit: schwierig", lezen we. Extra informatie is via een QR-code en een app op te vragen.
 

De rondgang begint aan de rechterkant met modellen van Opel.

Een zeldzame cabriolet-versie van de Opel Rekord P1. Let ook op de gesloten achterste wielkasten.

Een luxe tweekleurige variant met tal van eigen extra's, zoals de rondjes op de spatborden.

Geen Ferrari, maar een Bitter.

De auto is technisch gebaseerd op een Opel Senator.

Ford Taunus
Tegenover het rijtje Opels wordt duidelijk dat Mercedes-Benz altijd een zeer diverse klantenkring aan zich heeft weten te binden. Naast een ‘Adenauer’ staat een 190 als Taxi. Beide zijn typerend voor de naoorlogse Duitse historie. Niet alleen auto’s illustreren het tijdsbeeld. Afgezien van de winkelpanden zijn er overal in het museum tal van andere zaken die het nostalgische gevoel aanwakkeren. Kijk eens naar zo’n oude trapnaaimachine en een houten kistje met klosjes garen: de geur van de jaren vijftig en zestig komt je bij wijze van spreken tegemoet. In de kiosk liggen echte, originele tijdschriften op de balie. Je zou bijna 1,80 Mark uit je zak halen om de uitgave van Auto, Motor und Sport mee te nemen. Daar staat alles in over de nieuwe Ford Taunus. Het is als de dag van gisteren dat die werd geïntroduceerd. Herinneringen komen boven: het verschil tussen de uitvoeringen met ronde of rechthoekige koplampen, de GXL met standaard vinyl dak, de sportief gelijnde coupé en de overschakeling van voor- naar achterwielaandrijving. We moeten het blad laten liggen: we hebben geen één mark tachtig meer op zak en de verkoopster kan ons ook niet verder helpen.
 

Links van de ingang staat een rijtje modellen van Mercedes-Benz.

Een Mercedes 190 (1964) als taxi: een vertrouwd beeld, zij het dat het niet een Duitse, lichtgele taxi is.
 

Dwergen en muisjes
Voorbij de kiosk komen we bij het winkeltje van Tante Emma en de plaatselijke apotheek. Het idee van een nagebouwd oud straatje is verre van origineel, maar het geheel is met veel liefde voor detaillering uitgevoerd. Aan de rechterkant van de straat staat een typisch Duits Aral-tankstation. De autootjes ernaast zullen de pomp niet vaak hebben bezocht. De dwergen en muisjes deden het zuinigjes aan met de brandstof. De meeste modellen kennen we goed. Als musea dit tijdvak en type auto laten zien, zijn de Messerschmitt en Goggomobil vaak present. Hoewel in beperkte aantallen geproduceerd, is ook de Spatz niet echt exclusief. Het merkplaatje Goggomobil zien we trouwens drie keer: bij de coupé met grote panoramische achterruit, bij de bekende tweedeurs én bij de ‘grote Goggo’, waar fabrikant Glas al snel de merknaam Isar opplakte om de volwassener uitstraling een accent te geven. Het meest bijzonder in het rijtje is een Gutbrod Superior 700, in de eerste helft van de jaren vijftig zo’n 3000 keer geproduceerd. Het zal niet meevallen er vandaag de dag nog één op de kop te tikken. Het wagentje is niet langs de restaurateur geweest en heeft volop patina, zoals dat zo mooi heet. Minder romantisch uitgedrukt: met duidelijke gebruikssporen en her en der wat plekken roest. Het deert niet: schoonheid is niet altijd een kwestie van vlekkeloos zijn. De topsnelheid was destijds ongekend hoog, wel honderd kilometer per uur.
De Trojan is een twijfelgevalletje. Niet dat de driewieler niet past tussen zijn soortgenoten, maar de fabriek stond in Engeland. Het is echter een getrouwe kopie van de Duitse Heinkel, met inbegrip van het linkse stuur.
 

Een nagebouwd huisje van een ARAL-tankstation.

De Britse Trojan was een kopie van de Heinkel, met links stuur!

Een Messerschmitt in exclusieve cabriolet-uitvoering. Koffers moesten achterop.

Fabrikant Glas maakte de Goggomobil.

De 'Grote Goggo' kreeg al snel een eigen merknaam: Isar.

Een NSU Prinz was relatief ruim en eigenlijk geen echte dwergauto.

Een Gutbrod Superior kom je niet vaak meer tegen.

Anders dan veel andere museumauto's is deze niet gerestaureerd.

DKW Vemag
Dan valt het oog op een strak gelijnde, Italiaans uitziende kleine middenklasser met opvallend veel glas en wat de Duitsers zo fraai betitelen als ‘filigrane’ dakstijlen. Met name de C-stijl is ongekend smal. Hierdoor is het zicht rondom bijna volledig. Het is een DKW Vemag, een creatie van de Italiaanse ontwerper Fissore. Het is altijd leuk een model in werkelijkheid te zien dat je enkel uit de boeken kent. Vemag was een Braziliaanse landbouwmachinefabrikant die tussen 1953 en 1967 DKW’s in licentie bouwde, eerst met Duitse onderdelen, maar vanaf 1955 volledig zelfstandig. (Vemag is een acronym van Veículos e Máquinas Agrícolas S.A.) In 1963 introduceerde het merk de Fissore tweedeurs als een geheel eigenstandig model. De techniek was afkomstig van de Auto Union 1000S. Omdat nog een chassis werd gebruikt, was het niet zo heel ingewikkeld een afwijkende carrosserie te combineren met een bestaand onderstel. Een groot succes werd het niet. Tussen 1964 en 1967 verlieten er ongeveer 2500 de fabriek. De tweetakt-motor was ook in Zuid-Amerika op z’n retour. De auto is nooit geëxporteerd. Het is vrijwel onmogelijk om er elders in ons werelddeel een te vinden.
Dit is het hoekje van de specialiteiten, want hier staat ook de eerder genoemde Benarrow PB5. Van het getoonde type uit 2009/2010 zijn er maar zes gebouwd, vermeldt de informatie. Wie wil, kan een foldertje van de auto meenemen.
 

In Brazilië kwam deze DKW Vemag op de markt, gebaseerd op een Auto Union 1000S.

Opvallend zijn de uiterst smalle raamstijlen.

Het Italiaanse bedrijf Fissore ontwierp het koetswerk.

De ontwerper kreeg zijn naam op de auto.

Instrumentenpaneel van de Vemag: met stuurversnelling. Let op de aanduiding 3=6 tussen de klokken, de slogan van DKW.
 

 


BENARROW PB5 

De Benarrow is een luxe, exclusieve tweedeurs coupé, ontwikkeld door een groep specialisten in opdracht van Bernd Benninghoven. In 2008, bij gelegenheid van het eeuwfeest van de familieonderneming, werd de auto gepresenteerd. Aanleiding voor het project: de ultieme sportwagen zoals hijzelf en een aantal klanten graag wilden hebben, bestond niet. Daarop besloot Benninghoven zo’n auto dan maar zelf te gaan ontwikkelen en maken. Het technisch uitgangspunt was de Audi S5, waarvan dak en deuren werden overgenomen. De rest is eigen ontwerp, dat wil zeggen: met hulp van de universiteit van Coventry. De carrosserie bestaat uit staal, aluminium en koolstofvezel. De productie van de eerste drie auto’s vond plaats in Engeland. Het interieur is afgewerkt met de beste materialen. Voor de Benarrow betaal je in Duitsland ruim een kwart miljoen euro. Dat maakt de auto onbereikbaar voor velen en uitermate exclusief. Bij de introductie werd gesproken over een productie van 10-12 auto’s per jaar. In welke mate die aantallen ook daadwerkelijk zijn gerealiseerd, laat zich moeilijk achterhalen. De vormgeving is ook zeker niet ieders smaak. Ten tijde van de introductie was de Nederlandse vakpers uitermate kritisch.

Folder van de Benarrow PB5

 

 

 

Niet iedereen vindt de lijn van de Benarrow geslaagd.

Een kwart miljoen moet de auto in Duitsland kosten. De techniek is van de Audi S5.

Miele
Op de eerste verdieping hebben autoliefhebbers weinig te zoeken. Er staat er letterlijk maar één, helemaal achteraan, de oude Isabella voor publiek gebruik. Je hoeft er niet heel erg zuinig mee om te springen. Zo goed de rest van de collectie eruit ziet, zo duidelijk heeft de roestduivel hier vrij spel gehad. Zelfs met een dikke lik verf poets je dat niet weg.
Onder luide klanken van het orgel – er zat nog ergens een euro in de zak – lopen we langs de vele historische bromfietsen, scooters en motorfietsen. Ze staan keurig opgesteld in twee rijen. Verstand hebben we er niet van, dus het blijft bij een oppervlakkige beschouwing. We blijven even staan bij een brommer van DKW, ooit ingezet door de Nederlandse Rijkspolitie. Tussen alle NSU’s, BMW’s en DKW’s als uiterst succesvolle Duitse motorfietsfabrikanten ontdekken we een Miele. Uiteraard een bekend merk, maar dan van de wasmachines, de vaatwassers en andere huishoudelijke apparaten. Bijna dertig jaar maakte de fabrikant echter ook lichte motorfietsen, voor zich in 1960 geheel op het leven in huis te concentreren. (Dat is heel wat langer dan de autoproductie; die startte in 1912 en eindigde al in 1914. Er zijn niet meer dan 125 auto’s gebouwd, waarvan er slechts één is overgebleven. Die staat in het fabrieksmuseum in Gütersloh.)

 

Tweewielers op de eerste verdieping. Achteraan staat één auto, een Isabella.

Bijna dertig jaar lang maakte Miele ook lichte motorfietsen.

Foto uit het archief en dus niet in Zylinderhaus: de enig overgebleven Miele-auto, in het museum van de fabrikant.

De Nederlandse Rijkspolitie ging met dergelijke brommers op pad.

Auto Union
Na de lunch bij de buren – bestel een salade en je hoeft de rest van de dag niets meer te eten – is het tijd de tweede verdieping eens grondig te bestuderen. Het begrip Duits is hier wat opgerekt, want ook van het Oostenrijkse merk Steyr staan er verschillende modellen. Net als beneden bij de ingang zijn merkgenoten bij elkaar gezet en veelal gaat het om een mengeling van overbekende en juist afwijkende types. Veel ruimte is ingeruimd voor fusiebedrijf Auto Union met voor- en naoorlogse modellen van Audi, DKW, Horch en Wanderer. Het eind jaren zestig overgenomen familielid NSU is eraan toegevoegd. Het buitenechtelijke neefje van de DKW, de Oost-Duitse IFA, toont de gemeenschappelijke afstamming. Tot de categorie buitenbeentjes hoort de Brits-Duitse Audi 100 cabriolet, omgebouwd door de Engelse specialist Crayford. Slechts negen keer zette de onderneming uit Kent de zaag in een Audi. Heel wat vaker (zo’n 150 keer) produceerde het Duitse carrosseriebedrijf Ihle in de jaren dertig een sportwagentje op basis van de DKW F4. Bijzonder is de vorm van de grille: dubbele nieren, het latere stijlelement van BMW. Deze wagen is afkomstig uit de collectie van Henk Geerts, waarover zo meteen meer.
 

Met de Dixi begon de personenwagenhistorie van BMW.

Een Steyr 220 Cabriolet, tussen 1937 en 1941 gebouwd.

Het koetswerk werd door Steyr zelf aangeboden. Er was ook een model met Gläser-carrosserie leverbaar.

Naar elkaar toe sluitende deuren bij de Steyr 220 Limousine.

Tot in 1941 werd de auto in Oostenrijk geproduceerd.

De Baby-Steyr (1936-1938) kennen we ook van andere musea.

Links een vooroorlogse Adler Trumpf Junior, rechts een Hanomag Rekord uit dezelfde periode.

Een Hansa 1700, door Borgward tussen 1934 en 1939 op de markt gebracht.

Leuk detail: de kofferklep is feitelijk een deur, met scharnieren aan één kant.

Zo zag een eenvoudige DKW er onderhuids uit.

Een gestroomlijnde DKW van net voor de oorlog.

Een Wanderer W22 Cabriolet (1933) en een W23 Limousine (1937).

Een Wanderer in oorlogskleuren met afgedekte koplampen.

Links een Wanderer W21 (1933), recht een Audi 225 (1935) met Gläser-carrosserie.

Acht cilinders en 3500 cc heeft deze Horch 930V (1937).

De gestroomlijnde DKW Schwebeklasse in wat de Duitsers noemen een Cabrio-Limousine-uitvoering.

In vitrines liggen enkele brochures van de DKW's uit die tijd.

De DKW F91 Meisterklasse Cabriolet heeft een carrosserie van Karmann en werd door Henk Geerts gerestaureerd.

De Oost-Duitse variant van de DKW, de IFA. Eerst gemaakt in Zwickau, later in Eisenach.

De DKW had nog een echt chassis.

Links de Oost-Duitse IFA, rechts de West-Duitse DKW F91.

De DKW F93 Sonderklasse was een doorontwikkeling van de Meisterklasse.

De stationcar-variant van de DKW F94 3=6 heet Universal. Germaakt tussen 1955 en 1959.

De DKW F12 maakt ook deel uit van de voormalige collectie van Henk Geerts.

Wisseling van de wacht: de viertakt Audi (blauw) lost in 1965 de DKW F102 (rood) af.

Crayford in Engeland maakte een cabriolet op basis van de Audi 100.

Het aantal Audi-ombouwen door Crayford is op twee handen te tellen.

Links de NSU Spider en Prinz Coupé, rechts de Ro-80.

Hansa
Dat de Borgward-groep aanwezig is met de Isabella, verbaast niet echt. Het is verreweg het bekendste model van de Bremer onderneming. Blikvanger is een tweekleurige cabriolet op basis van het coupémodel (er was ook een sedan-cabriolet). Die coupé staat er trouwens ook. Voor de liefhebber is het trio Hansa 1100 zeker zo bezienswaardig. Je zult niet op veel plaatsen tegelijkertijd een tweedeurs, stationcar én coupé tegenkomen. Hier staan ze gewoon. De Lloyd Arabella en Borgward Hansa 1800 zijn vandaag de dag al even exclusief. Ook zonder winkeltjes slaagt het Zylinderhaus er op de tweede verdieping in je in de sfeer van vroeger te laten komen. Een nagebouwd strandje en bijbehorende camping helpen daarbij, net als het autokerkhof. Kijk ook even naar de BMW 5-serie; het is een politieauto die nog bij de plaats delict staat (misschien is Tatort toepasselijker). Zo te zien gaat het om een ernstige misdaad.
Een museum over de Duitse autohistorie gaat natuurlijk niet voorbij aan Volkswagen. Ook hier niet alleen de vanzelfsprekende modellen als de Kever, 1600 en VW-bus, maar een handvol afgeleiden. Op basis van de Kever schiep vormgever Colani een laag sportwagentje, kwam in Brazilië de SP2 tot stand en maakte Puma een fraaie Zuid-Amerikaanse cabriolet. Omdat het ook een sportwagen betreft, hebben ze een zeldzame DKW Monza (gerestaureerd door Henk Geerts, zie verderop) aan de presentatie toegevoegd. Zo staan ook een VW 181, DKW Munga en Trabant gebroederlijk naast elkaar als terrein- en/of legervoertuig.
 

Carrosseriebedrijf Deutsch maakte van de Borgward Isabella coupé een cabriolet, maar het typeplaatje 'Coupé' bleef.

Het komt zelden voor dat je een Hansa 1100 sedan en stationcar naast elkaar aantreft.

Door het korte dak van de Hansa 1100 Coupé ontstond een groot stuk plaatwerk tussen achterruit en kofferklep.

Typerend is de opmerkelijke knik in de sierlijst van de Hansa 1100 Coupé. Bij latere jaargangen werd de lijst recht getrokken.

Interieur van de Hansa met een nog geheel stalen dashboard zonder zachte stootrand.

Een Lloyd Arabella en eerste generatie Borgward Isabella Coupé (met grote 'wybertje' in de grille).

Bij de introductie was de treeplankloze Bordward Hansa 1800 een moderne senstatie.

Het 'wybertje' was het kenmerkende beeldmerk van Borgward, bij dit model heel prominent onderdeel van het front.

Nostalgie: met een BMW Isetta op pad en muziek luisteren met een transistorradio.

Een zeer minimalistische interpretatie van het begrip caravan.

Het goede buitenleven is in beeld gebracht met een Wartburg Camping en Volkswagen T2 camper.

Helemaal rechts de boot die uit de collectie van Henk Geerts komt.

Zylinderhaus heeft de sfeer van destijds met karakteristieke elementen goed weten te treffen.

Colani ontwierp deze lage sportwagen op VW-onderstel. De neus klapt als geheel naar voren.

Zuid-Amerikaanse varianten op basis van Volkwagen-techniek: de Puma en Volkswagen SP2.

De DKW Monza met kunststof koetswerk is een bijzonderheid vandaag de dag.

Links een Volkswagen 181, rechts een Trabant zoals door de grenspolitie van de DDR gebruikt.

Het Duitse (en ook Nederlandse) leger maakte gebruik van de DKW Munga (met tweetaktmotor).

De politie is met zo'n snelle BMW 5-serie snel op de plaats delict.

Twee oudere BMW's: een 700 en 2000.

Een autosloperij is mooi nagemaakt. Er staan een Zwickau P70 en Borgward Isabella.

Een Opel Blitz, NSU Prinz 4, NSu Ro-80 en een... tja, wat is het eigenlijk?

Henk Geerts
Overal op de vloer staan zuilen met daarop de biografieën van mensen die op een of andere wijze verbonden zijn met de tentoongestelde auto’s. Eén kant van zo’n zuil gaat over de Nederlander Henk Geerts (1931-2013). Het is een sympathiek gebaar om voor hem net zoveel plaats in te ruimen als voor de groten van de Duitse industrie als Benz, Daimler, Maybach, Diesel en vele anderen. Geerts was liefhebber van Auto Union en restaureerde eigenhandig vijftien auto’s. Hij deed dat achter zijn winkel in huishoudelijke artikelen in Bergen (NH). Bij de komst van de euro deed hij de winkel aan de kant om zich helemaal op zijn hobby te richten. De winkel transformeerde tot het Auto Union Museum. Ruim acht jaar geleden ging ik er op bezoek en sprak over zijn bevlogenheid (► zie verslag
). Trots was hij op de erkenning van zijn vakmanschap door Audi Tradition. Na zijn overlijden wilden zijn dochters dat de erfenis van hun vader in goede handen zou komen. Ze wilden de collectie auto’s (en een boot) het liefst als totaliteit verkopen. Het duurde even voordat zich een koper aandiende. Dat was Bernd Benninghoven. Hij voorzag een goede plek voor de auto’s in zijn nieuw te bouwen museum. De kinderen van Geerts kunnen tevreden zijn. Het levenswerk van hun vader is goed terecht gekomen. Zijn DKW F5 sportversie, F12 cabriolet, F91 Sonderklasse Karmann-cabrio, Monza (waar hij in 2010 nog aan werkte), F7 waarmee hij van Amsterdam naar Moskou, van Amsterdam naar Lissabon én de Route 66 reed, de al genoemde DKW met Ihle-koetswerk, de Tornax Rex op DKW F4-basis en alle andere auto’s hadden geen betere plaats kunnen krijgen. De biografiezuil onderstreept de waardering van de nieuwe eigenaar voor zijn werk. Alleen al als eerbetoon aan Henk Geerts zou je naar Bernkastel gaan.

 

Eerbetoon aan hobbyist en landgenoot Henk Geerts.

In 1936/37 bood DKW deze sportieve cabriolet aan.

Van dergelijke DKW's F5 zijn er 458 gemaakt; 7 bestaan nog.

Geerts knapte deze Tornax Rex (op DKW-basis) op achter zijn winkel in Bergen (NH).

Slechts 150 van dergelijke wagens zijn gemaakt.

Ook uit de Geerts-collectie: een DKW F1 en F7. Met de laatste reisde hij de wereld rond.

Door de grille lijkt het een BMW, maar het is een DKW met carrosserie van Ihle.

Henk Geerts was terecht trots op de manier waarop hij dit sportwagentje weer als nieuw maakte.

Boeken
We gaan de trappen weer af om terug te keren naar het nagebouwde Duitse dorp. De halfhouten DKW-bestelwagen staat nog steeds met dozen op zijn imperiaal voor de kruidenierswinkel. De Kundendienst van DKW heeft de F89 servicewagen nog altijd bij de benzinepomp geparkeerd en mocht het eerder niet zijn opgevallen: de radio- en televisiewinkel verkoopt ook Miele wasmachines en wringers. Voor de autofans heeft het museum bij de uitgang boeken en autootjes te koop. Die staan niet in saaie rekken, maar liggen in de laadbak van drie klassieke pick-ups: een driewielige Goliath, een Tempo Mathador en een Borgward. Het is passend. Liefde voor het detail kenmerkt dit museum. Het maakt de reis door de historie tot een aangename dagbesteding.
 

Onderdeel van de expositie is een oude garage met een Mercedes-Benz in onderhoud.

Half hout, half metaal: een oude DKW bestelwagen van de kruidenier.

De tweetakt Goliath Goli met 500 cc-motor kwam uit de stal van Borgward. Tussen 1955 en 1961 werden er 9900 gemaakt.

Een Tempo Mathador 1000 is een toepasselijke toonbank voor liefhebbersspullen.

De Borgward pick-up komt uit Nederland en heeft nog een Nederlands kenteken.

Het busje van DKW's klantendienst staat geparkeerd bij het ARAL-tankstation.