|
Autoworld
Brussel (B)
●
Eerste en zoveelste
bezoek
●
Deel van collectie Mahy
●
België in de autohistorie
●
Tijdelijke expositie over
vormgeving
●
Motorama in miniatuur
oktober 2024
Belgische blik op de autohistorie
Museum Autoworld in het Jubelpark van Brussel
heeft een brede collectie aan historische auto’s, met een speciale afdeling over
de bijdrage van België aan de autogeschiedenis. Geregeld zijn er ook tijdelijke
tentoonstellingen. Als onderdeel van een meerdaagse autoreis gaan we op bezoek.
Voor de zoveelste én tegelijkertijd voor de eerste keer.
|
 |
Sommige zaken laten zich
moeilijk verklaren. Je vraagt je af waarom dingen zijn gegaan zoals
ze zijn gegaan. In de afgelopen 21 jaar bezochten we als twee autoliefhebbers
tijdens meerdaagse reisjes - zowat elke herfst en soms ook in het voorjaar - in
zeven landen een
kleine veertig automusea, veertien autofabrieken, verscheidene
handelaren in klassiekers, historische plaatsen in de autowereld en enkele
bijzondere manifestaties. En één van de twee is nog nooit bij Autoworld in
Brussel geweest. Hoe kan dat? Het is maar twee uur rijden. Het antwoord is
minder belangrijk dan het voornemen om aan deze merkwaardige loop der zaken een
einde te maken. En dus reizen we als onderdeel van een zeventiende autoreis op
zondag 20 oktober naar het Jubelpark in Brussel. Het is een mooie afronding van
dagen waarop we vier locaties aandeden waar exclusieve auto’s
worden verkocht en twee nog onbekende musea leerden kennen. Op vrijdag waren we
bij het Nationales Auto Museum en op zaterdagmiddag verdiepten we ons in leven
en werk van Lucien Rosengart in het naar zijn automerk genoemde kleine museum.
En nu Brussel dus.
|
 |
Vroeger stond
het plein vol met auto's. Nu is er alleen een Mustang die reclame maakt voor het
museum.
Zondag
Op doordeweekse dagen heeft de Belgische hoofdstad vaak te maken met files,
opstoppingen of zelfs verkeersinfarcten. Die twee uur reistijd kunnen al gauw
oplopen. Daarom hebben we het bezoek op een zondag gepland. Tot voor enkele
jaren kon je de auto parkeren op het grote plein voor het museum, maar dat mag
niet meer. Zoek maar een plekje in de buurt of in een van de parkeergarages,
luidt het advies op de museumwebsite. Maar grote, gemakkelijk bereikbare garages
zijn er niet, weet ik uit ervaring. We nemen de gok iets te vinden in
een van de straten rondom het Jubelpark. Het geluk lacht ons toe. Dicht bij de
ingang van het park is ergens langs de straat nog plek. Net als een paar andere buitenlandse gasten
staan we omslachtig te klungelen bij de centrale parkeermeter om er uiteindelijk
achter te komen dat parkeren op zondag gratis is. Het was handig als dat erbij
had gestaan. Je kunt niet alles hebben.
Autoworld bestaat zo'n veertig jaar, maar het gebouw is al veel ouder. In 1880
werd besloten een Nationale Tentoonstelling te houden ter ere van het
vijftigjarig bestaan van de staat België. Daartoe werden twee gebouwen
neergezet, met staal als dragende constructie. In één ervan is het automuseum
ondergebracht, in het andere het legermuseum. De verbindende triomfboog is van
1905. Tot aan de Tweede Wereldoorlog vonden hier de Brusselse autosalons plaats.
Daarna had het verschillende bestemmingen.
|
 |
Boven en onder:
in dit gebouw
vonden vroeger de autosalons plaats.
|
 |
Mahy
Autoworld (een slimme Belgische oplossing om geen keuze te hoeven maken tussen
Vlaams en Waals) dankt zijn bestaan aan de collectie van Ghislain Mahy, de man
die in zijn leven honderden auto’s restaureerde. Een deel van zijn levenswerk
zagen we eerder in Leuze-en-Hainaut. Na de opening in 1986 is de museumcollectie
in de loop der jaren aangevuld met andere auto’s. De opstelling en de aankleding
veranderen af en toe. Het museum zit nu weer midden in zo’n transformatieproces
waardoor het her en der wat rommelig oogt. Bordjes bieden verontschuldigingen
aan voor het tijdelijk ongemak, maar eerlijk gezegd ben ik eraan gewend geraakt.
Het past bij het karakter van het museum. Er is altijd wel een afdeling die
wacht op een opknapbeurtje.
Het museum heeft een mooie traditie opgebouwd met tijdelijke tentoonstellingen.
Geregeld wordt uitgepakt met grote thema-exposities op de eerste verdieping. Tussendoor zijn er kleinere tijdelijke tentoonstellingen in de grote museumhal
op de begane grond. Dit keer is er aandacht voor de betekenis van vormgeving.
Beroemde auto’s maken hun opwachting, zoals de Jaguar E-type, Lamborghini Miura,
Cisitalia, Mercedes-Benz 300SL met vleugeldeuren en de Citroën DS. Allemaal
zijn ze uniek door de wijze waarop de creativiteit van ontwerpers in metaal vorm
heeft gekregen. De meeste modellen kennen we maar al te goed en zien we zeker
niet voor een eerste keer. Natuurlijk lopen we er niet als autocultuurbarbaren
achteloos aan voorbij, maar de echte interesse gaat uit naar enkele nóg
exclusievere modellen.
|
 |
Een tijdelijke
expositie gaat in op vormgeving als belangrijk onderdeel van de auto.
Ferrari 250GT
met een korte wielbasis, een model uit 1960.
De Cisitalia
202SC van een Nederlandse eigenaar komt uit 1948.
Een Bugatti en
Voisin beschilderd in de geest van de Frans kunstenares Sonia Delaunay.
Pegaso en Delage
Vaandeldrager van de show is een opvallend zwart met rode Pegaso Z102
Thrill uit 1953. Het merk kennen we maar al te goed van de extravagante gele
Cupula in het Louwman Museum. Ook elders kom je er nog wel eens een tegen, maar
niet zoals deze Thrill. Het Spaanse vrachtwagenmerk Pegaso bracht begin jaren
vijftig een kleine serie sportwagens op de markt. Ze waren exclusief, snel en
stuk voor stuk opvallend. De carrosserieën waren deels het werk van Pegaso zelf
en werden voor een ander deel getekend en geproduceerd door gerenommeerde
koetswerkbedrijven zoals Saoutchik en Touring. In dit geval is de laatste aan
het werk geweest. De opdracht kwam van de fabriek zelf, met als doel een auto te
creëren die zou schitteren op concours d’élégances. De verhoogde
achterspatborden zijn een knipoog naar de staartvinnen zoals ze in die tijd in
Amerika in opkomst kwamen. Onder de kap van de sportwagen ligt een V8 van 2,8
liter en 175 pk. Met een topsnelheid van 225 km/u gold de auto als de snelste
sportwagen van zijn tijd. De acceleratie van 0-100 bedroeg 8,5 seconde.
Een tweede exclusief model is de Delage D8-120 uit 1937 met een koetswerk van
Pourtout. Volgens de inrichters van de tentoonstelling schiepen de Franse
ontwerpers van die tijd modellen ‘met sensuele rondingen’, contrasterend met de
saaie, functionele lijnen van de massaproducten. Sensueel of niet, het is een
kunstwerk op wielen. Kunst en commercie gaan vaak echter niet
samen en net voor de bouw van dit model was Delage overgenomen door
voormalige concurrent Delahaye. De techniek is dan ook een mengsel van beide
fabrikanten. Een opvallend stijlelement vormen de twee kleine achterruitjes.
|
 |
Het meest
opzienbarend is de Pegaso Thrill.
Voorkant en
interieur van de Spaanse sportwagen.
De hoge
achterspatborden lijken op de staartvinnen van Amerikaanse modellen.
De carrosserie
is een product van Touring.
In een vitrine
staan miniaturen van
de Pegaso van het Louwman Museum en het model dat hier nu staat.
Pourtout schiep
de 'sensuele lijnen' van de Delage.
Opmerkelijk
stijlelement: de twee kleine achterruitjes.
Motorama
Een aardige aanvulling op de gepresenteerde auto’s zijn vitrines met miniaturen
van beroemde Amerikaanse showmodellen van de jaren vijftig. Met grootse shows
onder de noemer Motorama probeerde General Motors het publiek te imponeren met
toekomststudies. De eerste show was in het Waldorf Astoria Hotel in New York in
1949. Samen met een afgeleide tentoonstelling in Boston kwamen er 600.000 mensen
kijken. Nieuwe trends in de autowereld hadden een grote aantrekkingskracht op
het publiek. De eerste jaren na de oorlog was de auto-industrie nog
teruggevallen op vooroorlogse modellen, maar nu braken nieuwe tijden aan.
Vanaf 1953 werd de show nog grootser en ging Motorama het hele land door. Toen
in 1961 de laatste werd georganiseerd, stond de teller van het totale
bezoekersaantal op meer dan tien miljoen. Sommige elementen van de stijlstudies
zag je later terug bij de seriemodellen. De meeste ontwerpen waren echter
lichtjaren verwijderd van de realiteit. ’s Werelds grootste autoconcern gaf
echter wel aan de toon te zetten. Het zou nog mooier zijn geweest als een of
enkele auto's naar Brussel zouden zijn gehaald, maar de 1:43-modellen zijn
een aardig alternatief. Ze zijn mooi opgesteld en een oude wieldop van Cadillac
past helemaal in de sfeer. De autootjes zijn indrukwekkend door hun
detaillering. Voor een gemiddelde verzamelaar echter ‘boven
hobbybudget’.
|
 |
Cars Detroit
Never Built. Dat wil zeggen: voor de handel. Slechts één exemplaar werd gemaakt, voor de shows.
Schaalmodellen
bij een wieldop van een Cadillac uit die tijd.
De wereld van
vliegtuigen en raketten was een inspiratiebron voor de auto-ontwerpers.
De shows werden
gebruikt om de smaak van het publiek te peilen.
Ideeën over
toekomstige auto's van allerlei soort.
Deze auto stond
in 2022 in het echt in het Detroit Institute of Arts.
De Buick links
was de eerste concept car in de historie, gepresenteerd in 1938, lang voor Motorama.
De miniaturen
zijn in kleine serie gemaakt en alleen daardoor al exclusief en duur.
Beginjaren
Na de speciale tentoonstelling duiken we de geschiedenis in. Autoworld heeft de
auto’s min of meer chronologisch neergezet en start met de voiturettes die het
midden hielden tussen motorfiets en auto. Snel daarna komen de ‘echte’ auto’s.
Uit de beginjaren zijn er zowel de imposante grote limousines als de kleine
tweezitters. Van een luxe Daimler van het Engelse koningshuis tot de kleine Bébé
van Peugeot. Een paar namen klinken bekend en bestaan als merk nog steeds. Ook
verdwenen merken als De Dion Bouton en Panhard-Levassor kennen we. Bij Jean
Pirat moeten we echter toch echt vooroverbuigen naar het informatiebordje.
Via de beginjaren en de periode rond de Eerste Wereldoorlog komen we in de jaren
dertig terecht. De auto had zijn vorm gevonden.
Langzamerhand verdwenen de losstaande koplampen en werden spatborden steeds
vaker onderdeel van de carrosserie. De stroomlijn was geboren, het aantal
soorten carrosserieën bijna eindeloos. Anders dan bij sommige andere musea, zijn
er weinig auto’s met een miljoenenwaarde. Mahy was een eenvoudige verzamelaar en
restaurateur, geen investeerder of miljonair. De nadruk in Brussel ligt op de
auto’s die je vroeger gewoon door de straten kon zien rijden, met inbegrip van
enkele Oost-Europese merken en typen. Persoonlijke herinneringen
komen boven bij de Ford Taunus 12M met voorwielaandrijving en een
V4-motor. Mijn vader had er één, maar dan met een zwart dak. De auto was
aanvankelijk bedoeld voor de Amerikaanse markt en daar ook ontwikkeld, maar de
Amerikanen zagen af van zo’n supercompact en verkochten het hele project aan de
dochteronderneming in Keulen. De projectnaam was Cardinal. Toen de Britse
Ford-fabrieken daar lucht van kregen, ontwikkelde ze de tegenhanger Cortina met
als codenaam Archbishop. De Taunus werd overigens in de fabriek in Genk gemaakt.
|
 |
Voiturettes
vormden een overgang van fiets/motorfiets naar auto. Vooraan een Léon Bollée 1
cilinder van 1896.
Modellen uit de
beginjaren.
V.l.n.r.
Renault AX (1909), Lion-Peugeot (1906) en Renault X1 met Bernin-koetswerk
(1908).
Presentatie als
op een autotentoonstelling van die jaren. Vooraan een Opel 8/20 PS van 1911.
De Dion Bouton
behoort tot de groep van autopioniers.
Het Britse
Koninklijk Huis koos voor Daimler. Deze TS met een zescilinder schuivenmotor is
van 1922
Een
kampeerwagen op basis van een Ford TT uit 1924.
Een lange, lage
Lancia Lambda van de zevende generatie (1929), met koetswerk van Garavini.
Duitse
vooroorlogse modellen: Adler Trumpf Junior (1935), Mercedes-Benz 170V (1939) en Horch
930V (1939).
Twee Bugatti's:
een Type 23 Brescia (1923) en een 44 (1928) met een carrosserie die door Mahy is
gemaakt.
Uit 1938: een exclusieve Delahaye
135M en de veel massaler gemaakte Ford 81A met V8-motor.
De zescilinder Oldsmobile
F34
Coupé uit 1934 heeft nog losstaande koplampen, hoewel ze wel zijn gestroomlijnd.
Oosteuropese
modellen uit 1951: Moskvitch 400 (de vooroorlogse Opel Kadett) en een Tatra 600 Tatraplan.
Typisch een
Amerikaan van midden jaren vijftig, een DeSoto Diplomat Custom.
Op basis van
Fiat-techniek schiep Moretti in 1954 deze Berlinetta Grand Sport 750.
Boano ontwierp
het koetswerk van deze Ferrari 250GT, bouwjaar 1956.
Persoonlijke
herinneringen aan de Ford Taunus 12M, in 1962 op de markt gekomen.
De vorm van het
Ford-logo komt terug in de vorm van de achterlichten en richtingaanwijzers.
Fases in de
ontwikkeling van schoon rijden, van de eerste Tesla tot de Microlino.
België
Een deel van het museum gaat over de bijdrage van België aan de internationale
autowereld. Die is groter dan velen zich realiseren en gaat verder terug dan de
ontwikkeling van de verbrandingsmotor, eind negentiende eeuw. In 1677 kwam de
Belgische jezuïet Ferdinand Verbiest met het idee van een zelfrijdend voertuig
op stoom. De pater, wiskundige en astronoom, was verbonden aan het hof van de
Chinese keizer. Op basis van de beschrijvingen is een replica gemaakt die
bewijst dat zijn ideeën gerealiseerd konden worden. Die zien we hier staan,
ongeveer op ware grootte. In dit speelgoedformaat is het natuurlijk nog geen
vervoermiddel, maar de kiem is gelegd. Een kleine twee eeuwen later, in 1863,
bouwt de Belg Etienne Lenoir de eerste gasmotor, voorloper van onze
benzinemotor. Een exemplaar staat in het Parijse Musée des Arts et Metier.
Nicolaus August Otto en zijn partner Eugen Langen verbeterden het concept en
legden de basis voor het werk van Carl Benz en Gottlieb Daimler. Een derde Belgische beroemdheid is Camille Jenatzy.
Hij reed in 1899 voor het eerst harder dan 100 km/u met een elektrische auto.
Die staat in het museum van het paleis van Compiègne.
De expositie gaat verder in op de verschillende automerken van onze Zuiderburen,
op befaamde carrosseriebouwers en op hedendaagse ontwerpers in
dienst van de grote autoconcerns. De panelen over de rol van België als autoproducerende
duiden inmiddels op het verleden. Nadat eerder Renault
(in 1997), Opel (in 2010) en Ford (in 2014) hun activiteiten staakten, sluit in
februari 2025 ook de Audi-fabriek, even verderop in Brussel. In april van dit
jaar ging bussenfabrikant Van Hool failliet. Delen van dat bedrijf zijn
overgenomen door VDL.
|
 |
Het kleine
voertuig naar de ideeën van pater Verbiest nagebouwd. Het kan rijden!
Lenoir stond
aan de wieg van de verbrandingsmotor.
Op de historie
van Minerva, de belangrijke autofabrikant van België, wordt uitgebreid ingegaan.
Origineel
promotiemateriaal van de luxe automobielen.
FN maakte naast
wapens ook auto's en motorfietsen.
België telde
ook talrijke carrosseriebedrijven.
Foto's en
tekeningen van een aantal ontwerpen.
Van luxe
limousines tot opmerkelijke reclameauto's.
Enkele Belgische
modellen bij elkaar.
De kaart met
alle Belgische automerken. Klik op de kaart voor een vergroting.
► Kijk hier naar alle Belgische auto's in musea
Minerva en FN
Even terug naar de geschiedenis, naar de tijd waarin Belgische merken
internationaal aanzien genoten. Het bekendst is Minerva, dat in 1904 de
autowereld betrad. In dit geval is er nog een vaderlands tintje aan het verhaal,
want de initiator was de Nederlander Sylvain de Jong. Tot 1938 maakte het merk
luxe auto’s die zelfs tot in Amerika werden geroemd. De stille schuivenmotor
maakte de Minerva geliefd. In het museum staan verschillende modellen uit die
periode. Ondanks de kwaliteiten kwam er eind jaren dertig een eind aan het
succesverhaal, nadat Minerva in 1934 al was overgenomen door Imperia, een andere
Belgische fabrikant. Er bleken toch te weinig klanten bereid zoveel te betalen
dat de fabriek overeind kon blijven. Na de oorlog kwam de naam terug op
aangepaste Land Rovers, maar in 1956 viel het doek definitief.
Een andere vooraanstaande Belgische autofabrikant was FN, afkorting van Fabrique
Nationale d’Armes de Guerre. FN was tot na de Tweede Wereldoorlog de grootste
vuurwapenfabrikant ter wereld. Het bedrijf bestaat nog steeds met een omzet van
zo’n 700 miljoen per jaar. Tussen 1900 en 1935 maakte de onderneming auto’s en
tot 1967 motorfietsen. De collectie van Autoworld omvat verscheidene modellen,
waaronder eentje met een zeer markante, grotendeels houten carrosserie. Naar
verluidt zou de opdrachtgever de Sjah van Perzië zijn geweest, maar is de auto
nooit betaald en afgeleverd.
Ook andere Belgische merken zijn vertegenwoordigd, zoals Nagant (ook een
wapenfabrikant), Fondu, Imperia, Hermes en Belga Rise. Op een grote landkaart
staan alle namen van Belgische autofabrieken. Dat zijn er veel meer dan je
denkt. Tegen deze historische rijkdom steken wij Nederlanders met onze Spyker en
Eysink schraal af.
|
 |
Minerva was
leverancier van luxe automobielen.
Een Minerva met
verwisselbaar koetswerk: open voor de zomer, gesloten als het kouder werd.
Minerva AF (1927) met zes cilinders en een motor van 5300 cc.
Minerva AL van
1930 met een aluminium carrosserie, naar een ontwerp van de Amerikaanse
importeur Ostruck.
FN 2700 uit
1919, met 24 pk goed voor 75 km/u als top.
Een sportieve
FN 1400S (1930).
Nog een FN van
1930, maar nu met een bizar koetswerk van hout en aluminium.
Een klassieke
Nagant uit 1910 op de bovengalerij. Het koetswerk is van d'Ieteren.
Net als FN was Nagant een
wapenfabriek die tot 1931 ook auto's maakte. Deze 1000C Torpedo Sport is van
1923.
Koetswerkbouwer Vanden Plas creëerde
deze Nagant van 1929.
Belga Rise
(1934). Slechts 39 werden ervan gemaakt, de meeste werden geleverd als stafauto
aan het leger.
De zwanenzang
van Minerva: de eenvoudige M4 uit 1934 en daarnaast een Imperia van twee jaar
eerder.
Bedrijfswagens
van Minerva (1924) en FN. De bestelwagen met drie wielen is van 1947.
Koningshuis
We zijn inmiddels terechtgekomen bij een afzonderlijke presentatie over drie auto’s van
het Belgische koningshuis. Bij de Rolls-Royce Silver Wraith en Lincoln
Continental convertible hadden we waarschijnlijk langer stilgestaan als de
middelste auto niet alle aandacht naar zich toe had getrokken. Het model is – neutraal
uitgedrukt – nogal bijzonder en karakteristiek. Een tweedeurs Cadillac uit 1954
werd voorzien van een glazen ‘opzetstuk’, zodat de passagiers beschermd waren
tegen weer en wind, maar toch optimaal gezien konden worden. De Brusselse
koetswerkbouwer Vesters en Neirinck maakten dit geheel. Er wordt gesproken over
de 'State Limousine', hoewel dat voor dit type auto een merkwaardige typering
is. Je kunt van mening verschillen of dit nou een topcreatie is. (Dat is
trouwens maar de vraag: kun je hier echt van mening over verschillen? Zou iemand
dit een elegant ontwerp noemen?) Functie gaat duidelijk boven uiterlijk. De auto
is onder meer gebruikt bij het huwelijk van prins Albert en Paola in 1959, maar
werd nog beroemder door het huwelijk van de toen toekomstige koning en koningin
Boudewijn en Fabiola, een jaar later. Wat je ook van het model vindt, exclusief
en historisch is de auto zeker.
|
 |
 |
Rolls-Royce
Silver Wraith en Lincoln Continental uit de garage van het Belgisch
koningshuis.
Smaakmaker is
echter de Cadillac 'State Limousine' (1954).
Carrosseriebouwer Vesters en Neirinck uit Brussel maakte het doorzichtige dak op
de tweedeurs Cadillac.
Boven en onder:
de auto werd gebruikt bij twee huwelijken binnen het koningshuis.
|
 |
Jeugdjaren
We gaan vervolgens de trap op naar de bovenverdieping. Het grote balkon is leeg.
Hier komt eind van het jaar een uitgebreide Maserati-tentoonstelling. Op de
galerij aan een van de zijkanten staan auto’s van onze jeugdjaren, neergezet tegen een
passende achtergrond. Met doek is een oude straat nagebootst. Het geeft een mooi
effect. Ook al zijn het niet de huizen uit de straten waar we speelden, het
voelt toch alsof een tijdmachine ons terug heeft geworpen. Er staan allerlei
soorten auto's, waaronder modellen die destijds net zo bijzonder waren als nu.
Een Amphicar, Corvette, Lancia Bèta Montecarlo of Pacer kwam je ook toen niet
iedere dag tegen.
Aan de kopse kant van de grote hal is ruimte ingeruimd voor de racehistorie. Dit
is op zich niet ons meest favoriete deel, maar toont toch een aantal
interessante auto's. Zo is de Renault uit 1907 vermoedelijk een reconstructie,
want de racewagens van het merk hadden in die periode een korter chassis. Als je
denkt een Morgan te zien, heb je het mis, want het is de Franse versie van
Darmont. Een witte racewagen in de pits is een Pegaso, de tweede van vandaag.
Dat is op zich al opmerkelijk. De Pegaso deed mee aan races maar behaalde nooit
een ereplaats.
|
 |
Op de
bovenverdieping gaan zestigers terug naar hun jeugdjaren.
De Italiaanse
politie maakte gebruik van Alfa Romeo's.
Renault 16TX en
Citroën SM: het begin van de jaren zeventig laat zich groeten.
Britse modellen
in de hogere klasse: Jaguar XJ en Rover 2200TC.
Een AMC Pacer
en Lancia Bèta Montecarlo waren ook destijds bijzonder.
Afwijkend van
de gemiddelde gezinsauto: Saab 96 (nog met tweetakt in 1965) en AMC Pacer (1977).
Auto Union
1000SP en de BMW 1600 Ti, beide uit 1965.
Autobianchi
A111, het kleine merk binnen het Fiat-concern experimenteerde met
voorwielaandrijving.
Meestal zie je
ze met de ogen dicht, nu eens zijn de lampen van de Matra M530LX en Opel GT
opgeklapt.
Historische
racers. Vooraan een tweecilinder Darmont uit 1927, goed voor een top van 125
km/u.
Historische
racers: Sunbeam Grand Prix (1924), Omega Six (1922) en een Renault van 1907.
Pegaso Z-102
(1954), de enige met dubbele compressor en deelnemer aan vele races. Met weinig
succes overigens.
Een hele
vertrouwde verschijning: Austin Cooper S van begin jaren zestig.
Sponsoring
hoort bij autosport, tonen deze Lancia Fulvia 1600 HF (1969) en Peugeot 806.
Vormgeving
Recht tegenover de nostalgiestraat is een presentatie opgezet over vormgevers,
met veel achtergrondinformatie, onder meer over Belgische ontwerpers die een rol
hebben gespeeld en nog steeds spelen in de internationale autowereld. Soms zijn
de panelen met teksten en foto’s niet zichtbaar: er is een auto voorgezet. Dat
past wel een beetje bij de nonchalance die je ook elders in het museum
tegenkomt. Maar het is net als bij Belgische stadjes: je vergeeft de ongerechtigheden
omdat je er sfeer en gemoedelijkheid voor terug krijgt. In dat opzicht is Autoworld ondanks de Engels klinkende naam puur Belgisch. In dit deel staan ook
enkele opzichtige buitenbeentjes, zoals het prototype
voor een kleine naoorlogse auto die coureur Jean-Pierre Wimille in 1946 bedacht.
Het ontwerp is van de latere Renault-ontwerper en vader van het automuseum van
Reims, Pierre Charbonneaux. Chapron maakt de carrosserie.
Minstens zo bijzonder is het werk van schilder-beeldhouwer Jacques Brown die het
chassis van een Bugatti 57 liet voorzien van een, laten we zeggen, bijzonder
koetswerk. Hij heeft zijn roeping als auto-ontwerper niet misgelopen, kunnen we
wel concluderen.
|
 |
Aandacht voor
de ontwikkeling van vormgeving. Vooraan een Citroën 7A Traction Avant van 1934.
Modellen die
mede door hun vormgeving beroemd werden: Alfa Romeo Montreal, Porsche en
Alfa Romeo 6C.
Chevrolet Bel
Air Nomad (1956), afgeleid van de concept car gebaseerd op een Corvette.
Het achterste
deel van de showauto werd gecombineerd met de voorkant van een seriemodel.
Iedereen kent
ze: de Volkswagen Golf en Porsche. Dit is trouwens een 912, de viercilinder
versie van de 911.
De houten opzet
van een Audi Quattro concept car uit 1991.
In 1988 schiep
ItalDesign (het bureau van Giugiaro) deze Aztek.
Moderne
vormgeving met harde lijnen zijn kenmerkend voor onder meer Lexus en Toyota.
Volgens Wimille
zag de ideale stadsauto er zo uit.
De gladde
carrosserie was in 1946 absoluut opzienbarend.
Wimille legde
veel nadruk op een minimale luchtweerstand.
Dit gebeurt er
als je een kunstenaar een auto laat ontwerpen.
Bijzonder is de
Bugatti zeker, maar elegant is anders.
Kunstenaar
Michel Folon heeft zich beperkt tot een vrolijke beschildering van een Toyota
Land Cruiser (1986).
Afsluiting
Na een bezoek aan de museumwinkel ronden we het eerste en tegelijkertijd
zoveelste bezoek af. Het was een waardige afsluiting van onze meerdaagse reis.
Drie-en-een-halve dag zijn we ondergedompeld geweest in de wereld van klassieke
en bijzondere auto’s in drie landen en zeven plaatsen. Honderden modellen zijn
langsgekomen, met hun karakteristieken en soms boeiende achtergrondverhalen. We
gaan weer op weg naar huis. Door allerlei wegwerkzaamheden, afgesloten straten
en omleidingen kost het enige moeite om het centrum van Brussel achter ons te
laten. Maar eenmaal op de snelweg zijn we na twee uur weer thuis. Morgen ligt er weer, als iedere maandag, werk te
wachten.
■
 |
In twee uur met de auto naar
Italië
Je bent in Brussel, maar
waant je in Italië.
Verslag van een bezoek aan een schitterende
tentoonstelling met Italiaanse auto's in de hoofdrol.
januari 2016
|
 |
 |
Merkwaardige verjaardag,
mooi feestje
Opnieuw is Autoworld in
Brussel de bestemming,
dit keer vanwege een speciale tentoonstelling over
80 jaar Jaguar, met enkele unieke modellen.
augustus
2015
|
 |
 |
Bliksembezoek aan de
zestigjarige
Ter ere van de 60e
verjaardag van de Citroën DS
is er in Autoworld in Brussel een expositie
met enkele zeer exclusieve uitvoeringen.
juni
2015
|
 |
 |
Belgische godinnen en merken van buiten
Verslag van het bezoek aan
Autoworld in Brussel
en de historie van de autoproductie in België,
met aandacht voor de verdwenen merken.
maart
2011 - laatste aanvulling juni 2015
|
 |
|