Louwman Museum

Den Haag (NL)



 Unieke collectie in unieke behuizing
●  Het levenswerk van Evert Louwman
●  De auto als kunstobject
 Verzameling automobiele kunst


augustus 2010

 

  


Louwman Museum toont hand van de meester


Op 2 juli opende koningin Beatrix het Louwman Museum in Den Haag, op steenworp afstand van haar woonpaleis Huis ten Bosch. De vermaarde collectie van eigenaar en verzamelaar Evert Louwman heeft een uniek onderkomen gekregen. Het speciaal voor dit doel ontworpen gebouw van de Amerikaanse architect Michael Graves straalt grootsheid uit. Dat is ook de bedoeling. Louwman wil met zijn museum en zijn auto´s tot de top van de wereld behoren. Na een uitgebreide rondgang kan er maar één conclusie zijn: dat is geen grootheidswaanzin. Collectie en behuizing zijn inderdaad van wereldklasse. Bij de totstandkoming van het museum, de inrichting en de opstelling zat Louwman zelf aan het stuur. De hand van de meester is overal aanwezig.

 

Het museum aan de N44 in Den Haag, richting Wassenaar. De omgeving is opnieuw ingericht en beplant.

Links de eerste steen bij de ingang, rechts een foto van de opening op 2 juli 2010.

Er is volop bedrijvigheid in de showroom van de Dodge-importeur op het nagebouwde plein in het Louwman Museum. Wat kleine zaken moeten worden aangepast. Evert Louwman, het colbertje even uit, ziet toe en geeft aanwijzingen. Met oog voor detail bepaalt hij wat er nog moet gebeuren. Dit is zijn museum, zijn wereld. Maar wel een wereld waarvan anderen mogen meegenieten. Een droom is uitgekomen: een speciaal voor zijn collectie antieke en klassieke auto’s gebouwd onderkomen op een mooie plek in Den Haag. Dat de buurt aanvankelijk bezwaren had tegen de locatie, moeten we maar snel vergeten.
Louwman is de halve wereld afgereisd om ideeën op te doen. Hij bezocht vele automusea die er in de kennerswereld toe doen met de intentie het beste te combineren om tot het mooiste museum ter wereld te komen.

 

De showroom van Dodge van importeur Louwman & Parqui is nagebouwd.

 

Diplomatiek
Gevraagd naar wat het op één na mooiste is, blijft hij diplomatiek het antwoord schuldig. Ze zijn zo moeilijk te vergelijken. Na wat praten laat hij toch wat meer los. Het Mercedes-museum in Stuttgart is architectonisch indrukwekkend, meent hij, maar met delen van de opstelling is hij het niet eens. In de zaal Mythos 2 komende de schuin staande modellen onvoldoende tot hun recht. Auto’s in een museum moeten horizontaal staan. Mythos 7 daarentegen, met de racewagens, vindt Louwman prachtig. Het ook in Stuttgart gevestigde Porsche-museum is duidelijk niet zijn smaak. Fraai is de hoge roltrap voorbij de ingang, maar de vloer vol scheuren is niet bepaald een aanbeveling. De opstelling van de verschillende modellen van de 917 is teleurstellend, oordeelt hij. Gewoon naast elkaar op een rijtje. Dat had mooier gekund en beter gemoeten. “Blackhawk in Amerika heeft prachtige auto’s, maar ze staan te dicht op elkaar”. Het grind waarop de klassiekers in het museum van Mulhouse staan, is armoedig voor zo’n mooie collectie. Louwman weet wat hij mooi vindt en wat niet. Als we het Auburn-Cord-Duesenberg Automobile Museum noemen, verschijnt een glimlach op zijn gezicht. Ja, dat is mooi. We kunnen het beamen.
 

Het plein biedt gelegenheid op een terrasje een kopje koffie te drinken.

Oude winkeltjes en een garage van weleer maken de sfeer van vroeger compleet.

Kunstobjecten
Louwman heeft absoluut recht van spreken, is de conclusie na een rondgang door zijn museum. Over de indeling, de opstelling en de aankleding is goed nagedacht. Het museum is speciaal voor dit doel gebouwd en bij het realiseren van de plannen stond voorop dat de auto’s optimaal zouden moeten uitkomen. Auto’s als kunstobjecten. Genoeg ruimte eromheen en mooi verlicht. De verzameling rechtvaardigt een dergelijke benadering. Stuk voor stuk zijn de auto’s bijzonder. Louwman is gek op authenticiteit. Liever een redelijk mooi bewaard model met de originele lak dan een restauratieobject in showroomconditie. Zo staat er een Chrysler Airflow die minder glimt dan de uitvoering in het Chrysler-museum in Amerika, maar wel nog altijd de eerste lak heeft. Voor de Chrysler Town and Country uit 1942 geldt hetzelfde. Bovendien is dit model toch al zeldzaam omdat fabriek de productie na enkele maanden moest staken om over te schakelen op oorlogsproductie. Ook een donkerrode Ferrari 275 GTB is nooit overgespoten. Een paar lakloze plekken onder de deur moet je dan maar voor lief nemen. Aan de andere kant: áls er gerestaureerd moet worden, schakelt Louwman de beste vaklui in. Hij is alleen tevreden met het beste. De auto’s tonen het bewijs. 
 

Een ongerestaureerde Chrysler Airflow en de enige nog bestaande vooroorlogse Toyota.

Ook deze zeldzame Chrysler Town and Country 1942 met gedeeltelijk houten koetswerk is ongerestaureerd.

Bijzonderheden
Naast zijn voorkeur voor authentieke modellen is Louwman verzot op bijzonderheden. Eén van zijn laatste aanwinsten staat verroest en wel op een ereplek in het museum. Het is een vooroorlogse Toyota (of eigenlijk een Toyoda, gespeld zoals de familienaam, nog voordat bij de merknaam de d werd ingewisseld voor een t). Voor zover bekend is dit de enige ter wereld. Zelfs het Toyota-museum in Japan moet het doen met een nagebouwde. Het Haagse exemplaar werd ontdekt in Rusland en vervolgens naar Nederland gebracht. Ingewikkelde en bureaucratische procedures zorgden voor maandenlange vertragingen. Het is voor deze gepassioneerde verzamelaar beslist de moeite waard geweest.
Op de begane grond van het museum staan meer curieuze auto’s. Een gebroken witte Daimler DK 400 Coupé bijvoorbeeld, met zebrahuid als bekleding en vergulde in plaats van verchroomde onderdelen. Het Britse carrosseriebedrijf Hooper, bekend van creaties op basis van Rolls-Royce, schiep het koetswerk in 1955. Aanvankelijk was het dashboard van ivoor. Bij de restauratie mocht dat niet meer worden nagemaakt. Naast de auto hangt levensgroot de foto die destijds is gemaakt toen de auto als pronkstuk op de autotentoonstelling stond.
 

Een wel heel bijzondere Daimler DK400 Coupé. Rechts de foto van de autotentoonstelling van toen.

De gebroken witte carrosserie heeft goudkleurige accenten.

Ook voor- en achterkant zijn opvallend. De behuizing van de lampen is kenmerkend voor Hooper.

Oogverblindend
Minstens even bijzonder is een ongelakte Rolls-Royce Phantom I uit 1926. De wagen deed dienst in India en werd letterlijk oogverblindend in de felle zon. In het museum geven enkele Oosterse ornamenten sfeer aan het geheel. Van hetzelfde merk is een jachtwagen op basis van een Silver Ghost-chassis uit 1910. In plaats van de bekende Spirit of Ecstacy - in 1911 ingevoerd - dient een hertenkop als radiatormascotte.
Het allermerkwaardigst is evenwel een Brooke uit 1910 in de vorm van een zwaan. Opdrachtgever was een in India wonende excentrieke Brit die de plaatselijke bevolking wilde choqueren. Dat lukte. Al heel gauw werd hem verboden met de auto over straat te gaan. De zwaan heeft gloeiende ogen, uit de neusgaten komt stoom en aan de uitlaat is een orgel gekoppeld. We kennen de auto al van het vorige museum in Raamsdonksveer, maar na de verhuizing is er gejongd. De maharadja die de grote zwaan van de Brit over had genomen, liet voor eigen gebruik een kleine, elektrisch aangedreven model maken, de Cygnet. Louwman wist beide auto's weer bijeen te brengen.
 

De ongelakte Rolls-Royce 40/50HP schitterde in de Oosterse zon. 

De Rolls-Royce Silver Ghost Shooting Brake heeft een toepasselijke radiatormascotte. 

Brooke Swan Car uit 1910 met daarnaast de Cygnet, elektrisch aangedreven.

Het koetswerk is gemaakt van bepleisterd hout. 

De detaillering en aankleding van de auto is in alle opzichten opzienbarend. 

Topattractie
De bijzondere auto’s zorgen voor de exclusiviteit. Wat de verzameling echter zo waardevol maakt, is de samenstelling van het geheel. “Dit is geen museum over één merk of met nadruk op één land, zoals het museum in Beaulieu”, aldus Louwman. Daar ligt het accent vooral op de Britse autohistorie. “We presenteren hier de geschiedenis van de auto met bijdragen vanuit de hele wereld. Daarom is het zo leuk dat we ook een Chinese auto hebben”. Staat er nog wat op zijn verlanglijstje? We doen een suggestie. Een Tucker bijvoorbeeld, de auto die in 1948 de gevestigde orde in Amerika concurrentie moest gaan bieden. Hij aarzelt. “Een Tucker is wel heel erg Amerikaans. Bovendien: ze zijn héél duur”. Een grappige opmerking uit de mond van iemand die een museum van ruim dertig miljoen heeft laten neerzetten, een autocollectie heeft opgebouwd die het veelvoud daarvan waard is en met een geschat vermogen van 680 miljoen op de 31e plaats in de Quote 500-lijst van rijkste Nederlanders staat. Hij is er overigens niet door naast zijn schoenen gaan lopen. De vrijwilligers van het museum spreken over een toegankelijke man. Uit interviews blijkt dat Louwman graag op de achtergrond wil blijven, tenzij het over zijn grote passie gaat.
 

Met de Dodge van 1914 begon Piet Louwman zijn verzameling. Op de achtergrond foto's van hem en het bedrijf.

Een Chrysler C8 Airstream Town Car met koetswerk van LeBaron. Bouwjaar 1936.

Deze Hotchkiss met Nederlands koetswerk van Veth heeft een speciale bumper, ook een Nederlandse vinding.

Passie
De website van het museum zegt het zo: “Het Louwman Museum is niet zomaar een automobielverzameling. De collectie straalt passie uit; liefde voor en kennis van de automobiel in al zijn verschijningsvormen. Elke automobiel vertelt zijn eigen verhaal en levert daarmee zijn eigen bijdrage aan de geschiedenis. Het zijn spiegels van de cultuur.”
De verzameling startte in 1934 toen Evert Louwmans vader een Dodge uit 1914 kocht, één van de eerste die zijn gemaakt. Louwman was importeur van het merk in Nederland. Andere merken volgden. Het bedrijf begon midden jaren zestig met de import van toen nog twee onbekende automerken uit de nieuwe autonatie Japan: Toyota en Suzuki. In 1969 nam Evert Louwman op 29-jarige leeftijd de leiding van het bedrijf van zijn vader over. Het groeide uit tot een miljoenenconcern en profiteerde van de ongekende groei van Toyota tot de grootste autofabrikant ter wereld. Vaders liefde voor oude auto’s werd op de volgende generatie overgebracht, zoals één van Everts dochters ook gepassioneerd autoliefhebber is. Het zojuist geopende museum is de kroon op het levenswerk van de familie. “Een hobby kun je het al lang niet meer noemen”, vindt Evert Louwman. Zeker in deze eerste maanden na de opening is hij meermalen per week aan de gang om de puntjes verder op de i te zetten.
 

Direct na de ingang kom je in een grote hal die met 90 meter zo breed is als het hele gebouw.

De in Londen gebruikte Milnes-Daimler uit 1904 is de oudste autobus.

De passagiers voor boven konden achterin de trap nemen. 

De modellen in de hal komen uit alle delen van de wereld; rechts de Amerikaanse Chevrolet Corvette Sting Ray Convertible.  

De Zweedse Volvo 444 (bijgenaamd de Kattenrug) had enkele jaren de richtingaanwijzers op het dak.   

De typenamen zijn hetzelfde, maar wat een verschil, de Daf 600 (prototype) en Mercedes-Benz 600.

Een Toyota 2000GT (1968) en de Chinese Shanghai SH760 (1986) illustreren de Aziatische autohistorie.

Beroemde modellen uit Frankrijk en Engeland: de Citroën ID 19 en Jaguar XK120.

Een Graham uit 1932 met als oplegger een mobiel kantoor. 

Overlast
Louwman hoopt op meer dan 50.000 bezoekers per jaar. Om de buurt geen overlast te bezorgen, liet hij onder het gebouw een parkeergarage maken. De landschapsarchitect Lodewijk Baljon richtte de omgeving in met bomen, planten, waterpartijen en plantsoenen. Net als binnen is over alles nagedacht. Bezoekers kunnen bewust niet van de parkeergarage binnendoor naar het museum. Ze moeten via de hoofdingang binnenkomen.
Voorbij de kassa komen ze in een hoge hal over de hele breedte van het gebouw. Het houten plafond en de zwart-witte vloer trekken de aandacht. Groots is de meest toepasselijke omschrijving. Het is ook groot. Een autokathedraal. Aan de randen staan wat oude auto’s, om alvast in de sfeer te komen. Ze komen uit verschillende landen om het internationale karakter van de verzameling te onderstrepen. Ze gaan een beetje verloren in de grote ruimte. Uit het oogpunt van exploitatie is zo’n hal natuurlijk een uitkomst. Je kunt er moeiteloos feesten en partijen organiseren of tijdelijke exposities huisvesten. De Koninklijke opening op 2 juli, met vele gasten, vond hier plaats.
 

De tentoonstellingsroute begint bij oude koetsen, toen paardenkrachten nog letterlijk werden bedoeld.

Paardenkrachten
De aanbevolen route begint op de tweede verdieping. Zelfs de lift is in stijl en opvallend hoog. We gaan terug in de tijd, naar de periode dat het vervoer over land nog vooral van paardenkrachten afhing. Letterlijk, wel te verstaan. De aankleding van het museum is aangepast aan het tijdsbeeld. De vloer bestaat uit echte, oude houten vloerdelen. Met oud gereedschap is een werkplaats sfeervol nagemaakt. Het is de laatste wagenmakerij van Nederland die pas in de jaren tachtig de deuren sloot.
Na de koetsenperiode – waar wij nog altijd het woord koetswerk aan hebben overgehouden – komen de auto’s. De Louwman-collectie omvat een groot aantal modellen uit de pionierfase. Ze staan, net als eerst in Raamsdonksveer, in grote zwarte vitrines in een donkere gang. Het bijzondere is, dat ze niet gerestaureerd zijn. Het metaal, het hout, het rubber, de lak: de tijd is er overheen gegaan. Speciale aandacht krijgt een vierwielige stoomwagen van Dion, Bouton en Trépardoux van 1887. Het is één van de oudste originele auto’s ter wereld. Schrik niet: het ding had een topsnelheid van 60 km/u. Een Daimler en driewielige Phänomobil tonen dat de auto al vroeg werd ingezet als bedrijfswagen.

 

In donkere vitrines staan de pionierautomobielen. Links de stoomwagen van 1887, rechts een vroege Peugeot.

Een Panhard & Levassor uit 1895.

De Dion & Bouton: van motorfiets met drie of vier wielen tot auto.

Een tweepersoons model, met de passagier voorop.

Links een Parijse stoombrandspuit uit 1867, rechts een  Sunbeam-Mabley met bijzondere wielopstelling uit 1901.

Chase highwheeler uit 1908. Het rubber zit met ijzerdraadjes om de wielen.

De Daimler 1897 en Phänomobil 1912 zijn niet gerestaureerd en tonen hun ouderdom maar zijn juist daarom interessant.

Een luxe Nagant 1909, ooit eigendom van de familie Regout, oprichters en eigenaars van de Sphinx-fabrieken in Maastricht.

Autopionier
Na de gang is er een zaal met veel aandacht voor het merk Benz. Aan de wand hangt een levensgroot portret van de autopionier, zoals overal in het museum toepasselijke foto’s de tentoongestelde modellen aanvullen. Het onderschrift bij een foto van een vroege Benz spreekt boekdelen: Ersatz für Pferde. Van die eerste modellen van Benz heeft Louwman er meer dan een handvol bij elkaar weten te brengen. Nergens ter wereld staan er zoveel bij elkaar, zelfs niet in het merkmuseum in Stuttgart. Op het model uit 1886 na - dat is een replica - zijn ze allemaal origineel. Een Benz met een laadbakje achterop kan als eerste bedrijfswagen door het leven.  
 

Nergens ter wereld staan zo veel oude Benz-modellen bij elkaar.

De eerste Benz uit 1886 en een International Benz van 1899.

Benz Phaeton 1895. Lang gelden stond deze auto in het museum van Riemer in Driebergen.

Benz Ideal 1894 met laadbakje en Benz Velo 1897.

Benz Mylord Victoria 1899.

Benz Ideal 1899 en Benz Duc Victoria 1900.

Kinderjaren
We vervolgen de route en krijgen in vogelvlucht de ontwikkeling van de auto voorgeschoteld, van de kinderjaren tot aan de periode van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. In tijdvakken van tien jaar trekt de geschiedenis aan je voorbij. Zelfs gasten die geregeld in Raamsdonksveer waren, krijgen door deze opstelling nieuwe indrukken. In het eerste decennium is het nog zoeken naar de vorm. De auto bestaat in allerlei gedaanten. Gaandeweg wordt het eenvormiger: motor voorin en daarachter de passagiers. Een Fiat en T-Ford zijn vertegenwoordigers van de opkomst van de massaproductie aan de lopende band. 
 

De historie van de auto chronologisch weergegeven met sfeerbeelden uit het betreffende tijdvak.

In deze vroege Peugeot zijn nog veel elementen van de koets te herkennen.

De Holsman uit 1902 met zijn grote wielen typeert de vroege Amerikaanse auto, geschikt voor zeer slechte zandwegen.

Links een Duryea van 1903 en rechts de Mors van een jaar later.

Links een oude Peugeot van 1900, rechts het eerste model van Ford, de A (1903).

Nogmaals de Peugeot van 1900. Vanwege het geringe gewicht werd vaak gekozen voor lichte spaakwielen.

De Regal van 1912 is zelfs voor die tijd een tikje ouderwets met stijlelementen uit het koetsentijdperk.

Bijzonder is het lage chassis, met de vering aan de bovenzijde. 

De Auburn uit 1912 was genoemd naar het stadje waar de auto werd gemaakt. 

Een T-Ford (1924) en Fiat 509 (1928) vertegenwoordigen de wat alledaagsere modellen van het museum. 

In een vitrine staat de nagebouwde productielijn van de T-Ford (links); rechts een beeldje van een Ford in problemen.

Een Ford V8 jaren dertig: vloeiende lijnen hebben hun intrede gedaan bij de carrosserievormgeving.

Representanten van de jaren veertig: de Jeep van het Amerikaanse leger en de Schwimmwagen van de Wehrmacht.

Een Hotchkiss met houtgasgenerator, uit de tijd dat er niet meer aan benzine kon worden gekomen.

Modellen uit het tijdvak 1950-1970, van de simpele 2CV tot de luxe Austin A90 Atlantic cabriolet.

Naast vertrouwde merken als bijvoorbeeld Opel kwam in de loop van de jaren zestig een nieuw merk uit Japan: Toyota.

Ereplaatsje
Een Spyker uit 1905 en Darracq van 1904 zijn apart gezet en hebben een ereplaatsje gekregen. Het zijn de hoofdrolspelers van de film Geneviève van 1953, een Britse komedie over een weddenschap van twee mannen die na de jaarlijkse rit van Londen naar Brighton elkaar uitdagen wie het eerst terug in Londen is. De film maakte destijds het verzamelen van antieke auto’s populair. (De rit wordt nog steeds ieder jaar verreden, op de eerste zondag van november. Auto's tot en met bouwjaar 1904 mogen eraan meedoen. In 1953 dacht men dat de Spyker van 1904 was, later bleek dat hij een jaartje jonger is.) 
Elders in het museum staan nog twee filmhelden: de Aston Martin DB5 van James Bond, compleet met schietstoel en andere 007-hulpmiddelen. Voor het maken van de film werden destijds enkele exemplaren in de fabriek van Aston Martin aangepast. Dit is er één van. Verder zien we een DeSoto-taxi die figureerde in de film The Godfather, met Marlon Brando in de onvergetelijke hoofdrol.
 

Filmhelden: de twee hoofdrolspelers uit Geneviève (1953): Spyker 1905 en Darracq 1904.    ►Meer over deze film.

De Aston Martin DB5 uit de James Bond-films is van vele snufjes voorzien. 

Deze DeSoto figureerde in de film The Godfather. Op de achtergrond een scene uit de film. 

Thematisch
Louwman presenteert zijn collectie zowel chronologisch als thematisch. Zo is er een zaal ingericht rond het thema alternatieve krachtbronnen. Stoom- en elektrische auto’s laten zien dat de benzinemotor in de begintijd geen vanzelfsprekendheid was. Een Woods uit 1917 bewijst dat zelfs het idee van hybrideaandrijving niet nieuw is. Het is Toyota-importeur Louwman niet kwalijk te nemen dat één van de nieuwste auto's van de verzameling een opengewerkte Prius is. Ergens anders op de bovenste verdieping heeft het pioniersmerk Panhard-Levassor een eigen ruimte gekregen. Weer een andere zaal presenteert een internationale collage van kleine, betaalbare auto’s. Zowel in de jaren dertig als in de tijd na de Tweede Wereldoorlog waren ze populair. De naoorlogse tijd bracht onder meer de bekende BMW Isetta en Messerschmitt. Louwman plaatste er de veel minder bekende Amerikaanse Crosley, Britse Frisky en Duitse Spatz bij om het overzicht compleet te maken. Een eivormig model dat luistert naar de naam Bambino werd in het Brabantse Veghel in licentie gebouwd. Een recent elektrisch wagentje met slechts één deur verbindt het verleden met het heden.
 

Elektrische auto's zijn niet alleen van deze tijd, bewijzen de Hedag 1905 en Peugeot VLV 1941.

De elektrisch aangedreven Detroit Electric en Baker stammen allebei uit 1912. 

Zelfs hybride-aandrijving is niet nieuw. In 1917 maakte het bedrijf Woods een model met dubbele krachtbron.

Vroege modellen op stoomkracht: Stanley Steamer 1906 en White Steamer 1903.

In de White gingen de passagiers aan de achterkant naar binnen.

Op de voorgrond een Peugeot 1910 in de zaal van het "koper tijdperk".

De Grégoire stond destijds al in het museum in Driebergen. 

Georges Roy 1909. De achterkant kan worden ingeklapt zodat een tweezitter ontstaat. 

Rechts een Panhard & Levassor uit 1907, links een model uit 1912 met houten Skiff-carrosserie. 

Een Panhard & Levassor met dakkoffer: ook dat is niet iets van de laatste jaren. 

PL staat voor Panhard & Levassor, SS voor sans soupapes, zonder kleppen. De auto had nl. een schuivenmotor.

De afdeling betaalbare auto's met links vooraan een Morgan en rechts een Humberette (van het Britse merk Humber).

Een Britse driewieler met als merkwaardige merknaam LSD.

In de héél smalle Tamplin uit 1921 kunnen twee mensen zitten, achter elkaar.

Minimaler kan niet: twee kleine kuipjes op een plank en een vijfde wiel voor de aandrijving: Briggs and Stratton 1920.

De Amerikaanse Crosley was een minimale auto en had niet eens een kofferklep.

Dwergauto's uit de jaren vijftig: BMW Isetta, Inter Cabin en Bambino. 

De Frisky uit Engeland heeft één wiel aan de achterkant.  

Voor- en naoorlogse kleintjes uit Duitsland: de Hanomag Kommißbrot en de Spatz.

Deze eenpersoons elektrische wagen - de Corbin Sparrow - heeft alleen een deur aan de rechterkant.

Beroemdheden
In de loop der jaren heeft de verzamelaar ook enkele auto's van beroemdheden weten te verwerven. Eén ervan is de Humber Pullman uit 1954 van Winston Churchill met extra grote asbak achterin, een andere de opvallend uitgedoste Cadillac van poplegende Elvis Presley. Door het opkopen van de collectie van het voormalige Autotron verwierf Louwman de Mercedes-Benz van de Duitse Keizer in ballingschap. Verder staat er het geesteskind van Ferdinand Porsche en Adolf Hitler, de Volkswagen Kever. Een foto aan de wand toont een enthousiaste Hitler op het moment dat Porsche een schaalmodel van de 'auto voor het volk' laat zien. Dat het idee van een auto met motor achterin niet uniek was, bewijst een ernaast geplaatste Mercedes. Via auto's met een maritiem tintje - de Amphicar kon zelfs varen - en Amerikanen uit de jaren vijftig komen we bij de trap naar de eerste verdieping.
 

De Humber Pullman van Winston Churchill en de Mercedes-Benz Nürburg van de verdreven Duitse Keizer.

De Volkswagen Kever met aan de muur de twee mannen achter de realisatie van het idee: Ferdinand Porsche en Adolf Hitler.

Deze opzichtige Cadillac Fleetwoord behoorde toe aan Elvis Presley.

Een Michelotti Shelette op Fiat 850-basis en een publiciteitsauto voor een vaarschool op basis van een Fiat 1100. 

De Amphicar - de naam zegt het al - was auto en boot tegelijkertijd.

Een zaal vol Amerikaanse modellen uit de jaren veertig en vijftig.

De Kaiser-Darrin had - onhandige - schuifdeuren. De productie bleef beperkt.

Achterkant van deze bijzondere auto.

De Imperial Crown uit 1959 heeft een heel opvallende C-stijl. Imperial was het topmerk binnen het Chrysler-concern.

De DeSoto Fireflite 1956 staat keurig in het licht, maar de Edsel Pacer 1958 kan wel een extra lampje gebruiken.

Vloeiende lijnen zijn kenmerkend voor de Hudson Commodore uit 1948. 

De Studebaker Champion 1950 valt op vanwege de bijzondere achterruit. Het was een ontwerp van Raymond Loewy.

Kunst
Het Louwman Museum biedt niet alleen onderdak aan een indrukwekkende verzameling oude auto’s. Veel ruimte is ingericht voor automobiele kunst en aanverwanten. Er zijn wanden vol met originele oude affiches en schilderijen met auto’s. In speciaal gemaakte houten vitrines liggen radiatormascottes en ander chroom- en zilverwerk dat op één of andere wijze met de autowereld is verbonden. Automobilia van porselein en aardewerk is er te kust en te keur. Wie het nauwkeurig wil bestuderen, kan alleen al in dit deel van het museum een dag doorbrengen. Net als overal is de hand van de meester duidelijk aanwezig. Er hangt opmerkelijk veel werk van de tekenaar/schilder Frederick Gordon-Crosby die veel omslagen van beroemde Engelse autobladen van zijn illustraties voorzag. Originaliteit en exclusiviteit staan ook hier centraal. “Nergens ter wereld is zo’n combinatie op deze wijze te zien”, verklaart Louwman met trots. Toch is het opmerkelijk rustig in deze zalen. De meeste bezoekers kijken naar een enkel werk om vervolgens toch op zoek te gaan naar de auto's.
 

Vitrines met automobilia en schilderijen aan de muur. Automuseum in een andere betekenis.

De kunstcollectie omvat originele affiches, maar ook schilderijen met auto's als één van de elementen.

Enkele vitrines met autogerelateerde kunst en kitsch van porselein en aardewerk.

Snuisterijen en gebruiksvoorwerpen: als het maar met auto's te maken heeft.

Beelden waarin de klassieke auto centraal staat.

De collectie omvat oude en nieuwe stukken van allerlei soort.

Oude trofeeën ter herinnering aan beroemde races.

Een zilveren sigarendoos naar een model van een Daimler.

In kleine expositieruimten tussen twee verdiepingen staat nog een aantal antieke fietsen.

Spyker
Tijdens de rondgang kruis je een paar keer, op verschillende verdiepingen, de hal waarin de Spyker-collectie is ondergebracht. In het vorige museum stonden ze sfeervol op een dorpspleintje. In de huidige opstelling is de omgeving veel strakker. Net als eerder vormt de originele poort van de fabriek Trompenburg het decor, dit keer als onderdeel van een muurtekening. De zescilinder Spyker uit 1903, de eerste vierwielaangedreven auto ter wereld, staat in een speciale uitbouw. Architect Graves heeft dit element aan het gebouw toegevoegd als verwijzing naar de vroegere theehuisjes in de tuinen van de grote landhuizen.
Evert Louwman heeft verschillende keren races met deze Spyker gereden. Voor dat doel is de koeling aangepast. Originaliteit moest in dit geval wijken voor praktische bruikbaarheid. Want, dat is ook een motto van Louwman, met auto’s moet je kunnen rijden. Zo tref je hem jaarlijks als deelnemer aan de Mille Miglia in Italië en de al genoemde rit van Londen naar Brighton.
 

Vanaf verschillende verdiepingen kijk je uit op de Spyker-collectie.

De 7pk uit 1912 was een prototype.

Links een 14/18 pk van 1906, rechts een 15/22 pk van een jaar later.

Details van twee van de Spykers met vervaarlijk uitziende claxons. 

Een landaulette uit 1907 (links) en rechts de originele poort van de Spyker-fabriek Trompenburg.

Hier is mooi de overgang van het vaste dak naar de neerklapbare kap te zien.

Spyker C1 van 1919 en een C4 - het laatste model - van 1924.

Links de C4 "all weather coupé", rechts een replica van een vliegtuig van Spyker.

De Spyker had remmen op vier wielen, een bijzonderheid. Een bordje achterop waarschuwde voor de korte remweg.

De vierwielaangedreven Spyker van 1903 heeft een eigen ruimte.

 

Eysink
Spyker is niet het enige Nederlandse automerk dat aandacht krijgt in het museum. Van de voormalige Amersfoortse fabrikant Eysink staat er een tweezitter uit 1912. Het is het enig overgebleven exemplaar van de driehonderd auto's die tussen 1897 en 1919 zijn gemaakt.
Van het merk Gatso - een creatie uit 1948 van rallyrijder Maus Gatsonides, wiens bedrijf later bekend werd door de flitspalen - heeft Louwman alleen een prijslijst, schilderij en wat schaalmodellen. De prijslijst vermeldt maar liefst vier modellen. Het opmerkelijkst was de versie met plexiglazen koepel, die doet denken aan de Rolls-Royce van Lady Penelope in de televisieserie Thunderbirds. Tot echte serieproductie kwam het destijds niet. Er is maar een handjevol Gatso's gebouwd.

 

Een ander Nederlands merk was Eysink uit Amersfoort. Dit is het enig overgebleven exemplaar. 

Een prijslijst en een schilderij brengen de Gatso onder de aandacht, een creatie van rallyrijder Maus Gatsonides.  

Schaalmodellen van de Gatso, met als opmerkelijk stijlelement de centrale derde koplamp. 

Racerij
Naast de kunst is de eerste verdieping het domein van de sportwagens en de historie van de racerij, met beroemde namen uit Engeland, Duitsland en Frankrijk. De opstelling van de racewagens doet denken aan die in het Mercedes-Museum. Natuurlijk houdt Louwman ook hier van exclusiviteiten. De Lagonda is de Le Mans-winnaar van 1935, de D-type Jaguar behaalde in 1957 als eerste de eindstreep. De buggy behoorde aan filmacteur Steve McQueen; het zand van de Amerikaanse standen zit er nog op. In de schijnwerpers staan verder de beroemde Italiaanse merken Alfa Romeo, Maserati en Ferrari. De kleur van de muren is aangepast: knalrood, verwijzend naar de nationale racekleur van Italië. In grote letters lezen we ook een citaat van Enzo Ferrari: "Aerodynamics are for people who can't build engines".
De afdeling showcars laat éénmalige exemplaren zien. De grootmeesters van de internationale ontwerpwereld komen hier voorbij. Een ontwerp van de Zwitser Sbarro is met een extreme wigvorm eerder bijzonder dan mooi.
 

Napier 1903 en een op een origineel chassis nagebouwd model van de auto die in 1907 24-uur onafgebroken reed. 

De afdeling sportwagens met modellen van allerlei merken uit verschillende landen. 

Twee Britten: links een GN uit 1921, rechts een AC van drie jaar later.  

Rallyerijden krijgt aandacht via een Riley van 1947 (Tulpenrally) en een Chenard & Walker van 1923.

Beroemde Duitse sportwagens: Wanderer W25K en BMW 328.

Op de grille van de Wanderer prijkt het beeldmerk van Auto Union: de vier ringen die tegenwoordig Audi sieren.

Tweemaal Lagonda: de Le Mans-winnaar van 1935 en een V12 die in 1939 aan de race meedeed.

Ook deze Lagonda met Lancefield-koetswerk uit 1939 heeft een twaalfcilinder motor.

Links de Jaguar D-type, Le Mans-winnaar 1957, rechts de XK-SS, de straatversie daarvan.

Met deze Baja Buggy ragde Steve McQueen over de Amerikaanse stranden. 

De opstelling van de racers doet denken aan het Mercedes-Benz-museum.

Links een Hudson met 8 cilinders in lijn uit 1932, rechts een Watson Indianapolis uit 1961.

Links de enige Porsche in het museum, een 718/2 uit 1960, rechts de jongste auto, een Toyota uit 2009.

Behalve echte racewagens zijn er vitrines met schaalmodellen, keurig op een rij.

De afdeling Maserati met beroemde racewagens van het merk, voordat het sportwagens ging maken. 

Links nog een Maserati, rechts een Alfa Romeo.

Overzicht van een aantal andere Alfa Romeo's van de collectie.  

De witte Ferrari is de deelnemer aan de race van Indianapolis van 1952. 

Twee pronkstukken van Ferrari: 166 Inter Touring 1949 en een nog originele 275 GTB uit 1965.

Deze Ferrari 500 Superfast Speziale was eigendom van prins Bernhard. Hij wilde altijd een groene.

Tractorfabrikant Lamborghini was niet tevreden met zijn Ferrari; hij besloot een eigen sportwagen te gaan maken.

Carrosserier Frua tekende het koetswerk voor deze Maserati A6G 2000 van 1956.

De zaal met showcars met een Fiat 8V en een Abarth. Rechts nogmaals de Abarth. 

Ook de achterkant van de Abarth is verre van gebruikelijk.  

Fiat 8V "Demon Rouge" (rode duivel) met tweeliter motor uit 1953 is een ontwerp van Michelotti.  

Links een showmodel van Giugiaro, rechts de extreme wigvorm van ontwerper Sbarro. 

Topstukken
Na minimaal anderhalf uur ben je terug op de begane grond. Dan heb je nog een groot aantal topstukken van de verzameling tegoed. De curieuze modellen kwamen al ter sprake. In een grote zaal (de "spiegelzaal") staan aanvullend luxe en imponerende klassiekers met beroemde namen als Hispano-Suiza, Isotta Fraschini, Lanchester, Packard, Cadillac, Peerless, Pierce Arrow en Marmon. Ook Renault maakte grote auto’s in die tijd. Stuk voor stuk zijn ze bijzonder, zoals de Thames Motor Stage Coach van 1913. Met een smal trapje moesten reizigers op de dakzitplaatsen komen. Een Ahrens-Fox brandweerwagen diende jarenlang in Rotterdam terwijl een (te) mooi gerestaureerde ladderwagen ooit de spuitgasten van New York terzijde stond.
Een Cadillac met airconditioning is in 1915 al buitengewoon bijzonder, maar deze heeft ook nog eens autotelefoon. Met een stok kon verbinding worden gemaakt met de telefoonkabels hoog langs de weg. Om te bellen moest je wel even stil gaan staan. 
 

Thames Motor Stage Coach 1913 en een Ahrens-Fox brandweerwagen uit 1928.

Overzicht van de benedenverdieping met rechts een Packard uit 1926 van de brandweercommandant.

De zaal is ruim opgezet zodat elk model goed tot zijn recht komt, een eis van museumbaas Evert Louwman.

De bijzondere Cadillac van 1915 heeft airco, verwarming en... autotelefoon!

Twee grote Renaults uit de jaren twintig; rechts een 40CV met een motorinhoud van 9 liter!

Beroemde namen: Hispano-Suiza H6B van 1924 en een Isotta Fraschini van een jaar later.

Deze Lea Francis ontdaan van het koetswerk laat mooi de onderhuidse techniek zien. 

Apetrots
In een afzonderlijke zijzaal is ruimte gereserveerd voor drie exclusieve Mercedessen. Louwman is apetrots op zijn Mercedes SSK van 1929. Het is zijn troetelkindje en één van de waardevolste auto's van de verzameling. In kennerskringen wordt gesproken over een bedrag tussen vijf en tien miljoen euro. De techniek van de auto is honderd procent origineel. Toen Louwman de auto kocht, bleek alleen het krukashuis vervangen. Na intensief speurwerk en met medewerking van de afdeling klassiekers van de fabriek was het origineel te achterhalen. Het enige niet-originele onderdeel werd op last van Louwman vervangen. Een SSK is al een bijzonderheid, een helemaal originele is absoluut uniek.
De twee andere auto's zijn vakkundig in nieuwstaat teruggebracht, een 500K sportwagen met een fabriekscarrosserie en een toerwagen met een wel heel bijzondere carrosserie van het Franse bedrijf Saoutchik.
 

Deze Mercedes-Benz SSK is geheel origineel. Louwman is er trots op.

De Mercedes wordt geregeld gebruikt voor wedstrijden, zoals de jaarlijkse Mille Miglia in Italië. 

De prachtig opgeknapte 500K Roadster uit 1936. De foto erboven toont de auto vóór restauratie.

Een opvallend Saoutchik-koetswerk op een Mercedes-Benz van 1926.

Louwman verzamelde ook nog een aantal oude benzinepompen.

Koek
Als aardig tussendoortje is er een aantal ouderwetse benzinepompen, bijna achteloos in wat nissen geplaatst. De autokoek is voor de liefhebber nog niet op. Hij krijgt nog de hoogtepunten uit de Amerikaanse autohistorie gepresenteerd: modellen van Auburn, Cord en Duesenberg. De rode Duesenberg SJ kenden we al van Raamsdonksveer. Minder dan veertig van dit type zijn gemaakt, allemaal verschillend. Deze heeft een koetswerk van LaGrande en stamt uit 1935. De waarde wordt met een getal van zeven cijfers uitgedrukt. Voor de komma, wel te verstaan. De SJ heeft in Den Haag gezelschap gekregen van een zwarte J uit 1929 met Murphy-carrosserie. Door de uitwendige flexibele uitlaatpijpen ziet deze er uit als een SJ. Beide auto’s staan op een marmeren vloer. Adeldom verplicht. Uit hetzelfde huis stammen de Cord en Auburn.
 

De Duesenberg Model A had een achtcilinder lijnmotor. 

De Cord L-29 was het eerste Amerikaanse serieproduct met voorwielaandrijving.

Voorkant van de Cord L-29

Opvolger was de revolutionaire 810/812, met onder meer wegklapbare koplampen in de voorspatborden. 

De boattail-achterzijde maakte de Auburn 852 beroemd.

Duesenberg J uit 1929 en een SJ van 1935. Mooier zijn ze niet gemaakt.

Murphy tekende voor het koetswerk van de J, LaGrande voor dat van deze SJ.

De fabriek leverde onderstel en motor, plus de befaamde radiator en voorbumper.

De uitlaatpijpen suggereren dat het een SJ was, maar ze waren een optie bij de J.

Grootmeesters
Niet minder exclusief is een kwartet Franse coupés met wonderschone carrosserieën van de grootmeesters Chapron, Pourtout, Figoni & Falashi en Saoutchik. Talbot Lago en Delahaye leverden de chassis. De auto’s zijn werkelijk rijdende kunststukken, uitermate geschikt voor een museum. Maar als het moet, laat Louwman de motoren lopen om ze naar een concours d’elegance te rijden. Niet zelden sleept hij prijzen in de wacht. Dat zal niet gebeuren met een Voisin uit 1925. Deze is namelijk niet opgeknapt, maar toont daardoor de eenvoud van het ontwerp.
Als toetje is er de Bugatti-zaal. Weer zo'n klinkende naam uit de hoogtijdagen van de automobielgeschiedenis. Wat opzij staat een vitrine met enkele oude meubeltjes. Verdwaald? Natuurlijk niet. Ze zijn ontworpen door een andere telg van de creatieve Bugatti-familie.
 

Voisin vond dat de vorm zo eenvoudig mogelijk moest zijn. De C7 van 1925 (rechts) is - duidelijk te zien - niet opgeknapt.

Franse meestercreaties: Delahaye 135MS van Pourtout en Talbot Lago T150SS van Figoni et Falashi.

Tweemaal een Talbot Lago T26, links het ontwerp van Chapron, rechts van Saoutchik.

Een klassieke Bugatti T44 en een opmerkelijke T50T, een ontwerp van Jean Bugatti, Ettores zoon. 

Bugatti T57 met opvallend koetswerk van Gangloff uit 1934. 

De Bugatti T43 toont zijn met de wielen meedraaiende koplampen.

Deze Bugatti Type 18 uit 1913 - bijgenaamd Black Bess - was van vliegenier en sportman Roland Garros.

Bugatti was een creatieve familie die zich niet alleen bezig hield met auto's, maar ook met exclusieve meubels. 

Den Haag
We zijn terug op het oude dorpsplein met de showroom van Dodge Brothers aan de Lekstraat in Den Haag. In de lucht hangt een cabine van een Zeppelin, op de grond staat een Austin Taxi voor de originele toegangsdeur van het voormalige Haagse restaurant "House of Lords".
Bij de realisatie van Evert Louwmans levenswerk lag de lat hoog. Hij wilde met zijn collectie en de behuizing tot de top van de wereld behoren. Na een bezoek kan er maar één conclusie zijn: hij heeft het waargemaakt. De droom is uitgekomen.
 

Op het plein staat een Austin Taxi geparkeerd.  

 

   Aanvullingen 

Hoe mooi het museum bij de opening in juli 2010 ook was, het kan altijd nog mooier en beter. Dat vinden althans de mensen achter ons nationale autoparadijs van internationale allure, met oprichter en eigenaar Evert Louwman voorop. Steeds ziet hij zaken die in zijn ogen op een nog betere manier gepresenteerd kunnen worden. Daarnaast is hij altijd op zoek naar klassieke auto's die zijn collectie kunnen vervolmaken.
Voor een overzicht van de ontwikkelingen sinds dit eerste bezoek (met onder meer nieuwe auto's in de collectie en wijzigingen in de opstelling) zie  ► Het kan altijd nog mooier en beter
.

 

   Bijlage 1 - Nieuwe kleuren 

Is de groene Mercedes-Benz nieuw in de collectie van Louwman? Ja en nee. De auto behoort al langer tot de verzameling, maar heeft een metamorfose ondergaan. In 2007 fotografeerden we de auto in de hal van het oude museum in Raamsdonksveer. Toen was de wagen echter nog wit, had andere wielen en de voorbumper ontbrak. Je moet twee keer kijken om vast te stellen dat het dezelfde auto is. Zie hieronder de foto's.  

Links de Mercedes-Benz 1926 met Saoutchik-koetswerk van nu, rechts de oude versie.

Ook de Renault 40CV veranderde van kleur. Rechts een foto uit het oude museum.

Het groen van de Daimler is vervangen door zwart en heel donkerrood.

 

   Bijlage 2 - Evert Louwman onderscheiden

 

 

   Elders op deze website

► Verslag van bezoek aan voormalig museum in Raamsdonksveer in 2009.
Verslag van bezoek aan voormalig museum in Raamsdonksveer in 2007.

Tijdelijke tentoonstelling van Mercedes-racewagens uit de jaren dertig in het najaar van 2012.
Tijdelijke tentoonstelling van bijzondere Alfa Romeo's, voorjaar 2013.
Oude foto's van de collecties waaruit de huidige is voortgekomen.
Het museum vlak voor de opening.
► Achtergronden en beelden uit de film Geneviève.

► Alle nog bestaande Spyker-modellen.