●
Naoorlogse Citroën-modellen ●
Particulier museum ●
Ongerestaureerde auto's ●
Nadruk op 2CV en DS ●
Enkele bijzondere DS'en
juni 2025
Origineel en met weinig kilometers
Citroën-liefhebber en verzamelaar Henri Fradet heeft in Castellane in de
Provence een museum ingericht met meer dan honderd naoorlogse modellen van zijn
favoriete merk. Allerlei modeljaren en typen van de 2CV en DS vormen het hart
van de collectie, maar er zijn ook andere Citroëns te bewonderen. Op een enkele DS cabriolet na, zijn ze allemaal ongerestaureerd en staan er zo min mogelijk
kilometers op de teller.
Op weg naar Castellane vanaf de Côte d'Azur zijn we verschillende borden langs
de route tegengekomen die verwijzen naar het Citroën-museum. Het is een van de
bezienswaardigheden van het dorp en staat nog net op het plattegrondje van de
plaatselijke toeristeninformatie. Het gebouw ligt buiten de bebouwde kom, vanuit
Castellane aan de linkerkant langs
de D952, de fraaie Route des Gorges du Verdon met mooie uitzichten en
kronkelige bergwegen. Aan de overzijde van de
weg ligt een grote camping. Dat is geen
toeval, want Henri Fradet is naast Citroën-fanaat ook campingbaas. Zijn collectie
is tot ver buiten de regio bekend bij iedereen die ook maar iets om het
merk geeft. Voor de inmiddels 67-jarige Fransman met een Nederlandse moeder is
het museum meer dan een hobby. Het is een levenswerk. Aan zelf vakantie vieren
is de campingeigenaar nooit toegekomen.
Al op zijn achttiende wist hij wat hij wilde: een museum en eerbetoon aan de
2CV. Het model speelde in zijn familie een belangrijke rol en was ook zijn
eerste auto. De liefde zou nooit meer overgaan.
In 2005 werd zijn droom werkelijkheid met de opening van zijn Citromuseum. Daarna
liet hij er nog een hele hal bijbouwen om ruimte te scheppen
voor zijn groeiende collectie. In 2011 had hij 48 auto’s, nu meer dan 100. Hij besloot zijn verzameling van voornamelijk 2CV’s en DS’en uit
te breiden met zogeheten young timers.
Fradet woonde in zijn jeugd in Franse koloniale gebieden en vertrok als jong
volwassene naar Noorwegen. Daar woonde en werkte hij 15 jaar en wist een
failliet gegaan restaurant in een bloeiende onderneming om te zetten. Daarmee
bouwde hij een vermogen op om zijn droom te realiseren. Hij besloot terug te
keren naar Frankrijk. Dáár moest zijn museum komen, in het moederland van
Citroën. Bovendien is het warme Franse klimaat beter voor oude auto’s dan het
koude Noorse. Zijn zoon van 19 woont nog altijd in Noorwegen, zijn dochter van 15 ging mee
naar Frankrijk.
Door de jaren heen raakte hij meer en meer
gefascineerd door de eigenzinnigheid van het merk, niet in de laatste plaats de
techniek. Hij weet er boeiend over te vertellen. De oorsprong ligt bij
herinneringen aan een oude 2CV binnen de familie en zijn eerste auto. Omdat hij
die zelf moest repareren, kreeg hij oog voor de techniek.
Om twee uur gaat de poort open die
leidt tot een eenvoudige ingang.
Voor de deur staan drie auto's bij
wijze van uitnodiging geparkeerd, een Ami Super, GS Birotor en een HY.
De Ami Super is - anders dan de HY -
in goede staat, zo te zien.
Een SM met Nederlands kenteken komt
het terrein oprijden. Snel daarna volgen andere liefhebbers.
De hele groep is deze middag te
gast.
Drie hallen
In juni is de collectie iedere dag tussen twee en zes te bekijken. Als we
aankomen is het buiten dertig graden. Dat voorspelt niet veel goeds voor binnen,
is de gedachte. De hallen hebben vast geen airconditioning. Het valt echter mee,
het is goed uit te houden tussen de Eenden en Snoeken. Ons idee dat we met dit
weer op een doordeweekse middag wel de enige gasten zullen zijn, blijkt een
slechte inschatting. Er melden zich nog veel meer individuele bezoekers en zelfs
een hele groep liefhebbers blijkt geïnteresseerd in Fradets verzameling. Als
opwarmertje - een niet erg toepasselijk begrip in dit verband - staan buiten
onder een afdak van golfplaten een Ami Super, GS Birotor en een HY. Getrouw aan
de Franse traditie is de buitenkant van het gebouw niet het meest
representatieve deel. We hebben echter geleerd om geen conclusies te trekken
voordat je binnen bent geweest. Dat gold afgelopen weken ook voor de geboekte
appartementen.
We worden gastvrij ontvangen door - wat later blijkt - zijn vrouw, minstens zo
enthousiast. Voor acht euro per persoon (alleen contant te betalen!) mogen we
naar binnen. Ze geeft elke gast een korte toelichting. “Er zijn drie hallen, de
auto’s zijn allemaal origineel en niet overgespoten - behalve de DS cabriolets -
en hebben zo min mogelijk kilometers op de teller staan. Bij elke auto is er een
geplastificeerde informatiekaart met gegevens over type, bouwjaar, technische
achtergronden en de kilometerstand. Daaronder staat een verhaal hoe de auto in
de collectie terecht is gekomen. Alle teksten zijn in het Frans, Engels en
Duits.” Duidelijker kan het niet. Ze wenst ons een prettig oponthoud, maar pas
nadat ze erop gewezen heeft dat hier de oudste nog bestaande DS te zien is. Het
is de 32e die destijds is verkocht en nog met de hand in elkaar gezet. Dat de
auto chassisnummer 61 heeft, is te verklaren uit het feit dat de DS in het begin
in series van dezelfde kleur werd geproduceerd. De auto was origineel
auberginekleurig, maar is later zwart overgespoten. (De uitspraak over
originaliteit behoeft dus enige nuance; laten we maar zeggen dat dit de
uitzondering op de regel is.) Fradet had de auto al in de jaren negentig in het
vizier, maar kon haar pas in 2004 bemachtigen toen de Nederlandse eigenaar er
afstand van wilde doen. (Haar, want een DS is vrouwelijk; deésse is godin in het
Frans.) Gelukkig heeft de Nederlander de auto nooit op kenteken
gezet, zodat het originele Franse kenteken behouden is gebleven.
We zijn de 1044 en 1045e bezoeker,
maar vanaf wanneer is onduidelijk. Waarschijnlijk vanaf het nieuwe bonnenboekje.
De hal van de tweecilinders: 2CV,
Ami, Dyane, Méhari en de simpele Visa.
De hal van de Tractions en DS'en.
De later bijgebouwde hal met de 'moderne'
types,
van GS tot en met de Xantia.
De trots van de collectie: de oudste
nog bekende DS.
Links een foto van de presentatie in
Parijs, rechts het typeplaatje van de 32e.
Het kostte enige moeite de auto te
bemachtigen, maar het lukte uiteindelijk.
Omdat de Nederlandse eigenaar haar
niet op kenteken zette, heeft de DS de originele Franse platen.
Lange adem
Nu we via de toelichting van onze gastvrouw toch bij de DS staan, besluiten we
eerst de rechterhal in te gaan. Daar zien we meteen rechts de enige vooroorlogse
Citroën in de verzameling, een Traction Avant uit 1938. Of preciezer, een 7C.
Ook hiervoor moest Fradet een lange adem hebben. Hij las in 1995 de advertentie
over de auto, maar was net te laat. Hij hield de wagen in de gaten. Pas 13 jaar
later kon hij toeslaan voor een bedrag van 18.000 euro. Dat was een hoop geld,
maar de koop was snel gesloten. Met de oudste DS is dit het pronkstuk van de
collectie. Opvallend zijn de gele zogeheten Pilote-wielen met rechthoekige
gaten. Ze waren altijd geel of rood, afhankelijk van het type Traction. De drie
andere Tractions zijn van na de Tweede Wereldoorlog.
Veruit de meeste modellen in deze hal zijn DS’en, in vele variaties, inclusief
de ID als eenvoudiger uitvoering. In 1955 lanceerde Citroën de inmiddels
legendarische en destijds spraakmakende DS als opvolger van de Traction. Het
spreekt voor zich dat Fradet de drie generaties heeft staan, met de
onderscheiden voorkanten. Maar ook de Break en de daarvan afgeleide Ambulance
vind je hier.
De enige vooroorlogse auto van de
collectie, een Traction Avant met Pilote-wielen.
De drie andere Tractions, allemaal
zwart maar voor de rest verschillend.
Citroën 11BL 1949. De gekromde
bumpers zouden later worden vervangen door rechte (zie onder).
Citroën 15/6 uit 1952 met een
zescilinder onder de kap.
In de loop der tijden had de DS drie
verschillende voorkanten. Dit is het eerste ontwerp van 1955.
In 1962 volgde het tweede model met geheel nieuw
gevormde bumpers.
De grootste verandering kwam eind
1967:
koplampen achter glas, waarbij de middelste meedraaien met het stuur.
Van september 1959 tot september
1962 had DS extra
luchtsleuven op het spatbord. Een weinig elegante oplossing.
Een ID19 (uit 1961), de eenvoudiger
uitvoering van de DS die 18 maanden later op de markt kwam.
De collectie omvat vele typen en
uitvoeringen.
De achterkant van de DS is minstens
zo markant als de voorzijde.
DS Break, altijd met een grijs dak
en grijze achterklep, ongeacht de carrosseriekleur.
Het imperiaal was standaard en had
mede tot taak de stevigheid van het dak te vergroten.
Een Ambulance (1967) met het teken dat er
een zieke achterin ligt. Er is ruim 26.000 km mee gereden.
Een reclamebord van destijds.
Achter in de hal is een
servicestation nagebouwd.
In de begintijden moest menige
DS-rijder op zoek naar 'Assistance'.
Een kleine DS voor de draaimolen
(links) en als trapauto.
Klokkenpanelen van de Traction en ID/DS.
Naamplaatje
Dan valt het oog op een DS Cabriolet met op het voorspatbord het naamplaatje van
Henri Chapron. Dat is merkwaardig, want het is geen cabriolet zoals Chapron die
zelf verkocht. Die heeft een heel andere achterzijde. Zijn bedrijf produceerde
in opdracht van Citroën ook de ID/DS cabriolet die het merk zelf op de markt bracht
(de ‘cabriolet usine’), maar daarop zat dat naamplaatje niet. Deze combinatie
klopt niet, is de eerste gedachte. Voordat we het kunnen voorleggen aan Fradet,
biedt de informatiekaart uitkomst. Het klopt toch! Nadat Citroën de cabriolet
uit het leveringsprogramma had geschrapt, konden klanten zich rechtstreeks
melden bij Chapron. Die had alle documentatie en mallen bewaard en wilde
tegen forse betaling er best nog een paar maken, buiten de Citroën-organisatie om.
Hij gebruikte daarvoor een gewone vierdeurs, bouwde die om en zette zijn
handtekening op de flanken. Acht van deze auto's zijn bekend, dit is er één van.
Mevrouw Genot uit Nanterre was de betreffende klant en zij wilde onder meer deze
bijzondere kleur en ook extra lampen aan de voorkant.
Het ene vraagteken is afgewerkt of een volgend dient zich aan. Bij een tweede
cabriolet ‘usine’ zien we twee gaatjes in het spatbord, precies op de plaats van
het Chapron-naambordje. Hoe zit dat nu weer? In dit geval geeft niet de
informatiekaart maar Fradet zelf uitleg. Hij is positief verbaasd over de
scherpe waarneming. “De eigenaar had daar inderdaad zo’n plaatje op laten
zetten. Maar historisch klopt dat niet. Dat heb ik er dus afgehaald.” Alweer een
raadseltje opgelost. Overigens heeft Fradet geen 'echte' Chapron-cabriolet,
zoals een Croisette, Palm Beach of Caddy, noch een coupé of sedan van deze
koetswerkbouwer.
Een zogeheten DS Cabriolet 'Usine',
zoals door de Citroën-dealer geleverd. Alleen deze niet!
De auto werd door Chapron gemaakt
nadat Citroën het type uit het programma had geschrapt.
De auto heeft ook extra lampen,
'verstopt' onder de voorbumper.
De achterzijde van de standaard
cabriolet wijkt sterkt af van de cabriolets die Chapron zelf verkocht.
Nog een DS-cabriolet. Bij het
dichterbij komen zien we iets bijzonders.
Links: de schroefgaatjes van het
naamplaatje dat niet op de auto hoort.
De cabrio's zijn, in tegenstelling
tot de andere auto's, wél gerestaureerd en overgespoten.
Johan Cruijff
Toen we daarstraks naar binnen wilden gaan, kwam buiten net een SM met
Nederlands kenteken aanrijden. De eigenaar-liefhebber komt vast kijken hoe zijn
type er in Castellane bijstaat. Het antwoord: net als de DS’en: ongerestaureerd
met relatief weinig kilometers. Fradet heeft er drie, twee met een motor met
carburateur - uit 1970 en 1971 - en een Injection van 1974. Toen hij in
Noorwegen woonde, heeft hij er verschillende geïmporteerd en weer doorverkocht. Zo kreeg hij geld om zijn collectie op te zetten.
De meningen over de
vorm van de SM verschillen, maar aandachttrekkend is de coupé met zijn Maserati-motor zeker. In Nederland deed de importeur goede promotiezaken door
Johan Cruijff erin te laten rijden. Vanuit het oogpunt van imago was de SM
destijds een succes, maar commercieel eerder een drama. Het concept was
onvoldoende uitgerijpt op de markt gebracht. En de garagebedrijven hadden geen
idee wat ze aanmoesten met een Maserati-motor met mankementen.
Over afwijkende motoren gesproken, Citroën had destijds net als enkele andere
merken licentierechten gekocht om de draaizuigermotor (Wankelmotor) te gaan
maken. Om ervaring op te doen, werd in 1970 een gelimiteerde serie ingebouwd in
de M35 Coupé, met een carrosserie van Heuliez en allemaal in het grijs.
Geselecteerde klanten werd gevraagd hun bevindingen bij te houden. Musea als
Autovision in Duitsland en Visscher Classique in Buren zijn trots er één te
hebben (van de 267 die er zijn gemaakt). Hier in Castellane staan er drie, de
prototypen nummers 160, 388 en 430. De getallen zijn pure misleiding door Citroën. De ambitie was 500 M35's te maken, maar
het waren er maar iets meer dan de helft. Om dat te verdoezelen, werd
bij de nummering een groot aantal nummers gewoon overgeslagen.
Tot de collectie horen ook enkele exemplaren van
de GS Birotor met een Wankelmotor. Slechts twee jaar werd de auto aangeboden,
tussen 1973 en 1975. De nieuwprijs was hoger dan die van een DS20. Het werd een fiasco en Citroën heeft getracht alle 847
verkochte modellen terug te kopen om ze te laten vernietigen. Dat is niet
volledig gelukt. In verzamelaarskringen kom je er nog wel eens een tegen, dus
ook hier. De Birotor is uiterlijk direct te herkennen aan de speciale kleur,
afwijkende wieldoppen en licht uitgebouwde spatborden.
Een Citroën met een Maserati-motor:
de SM.
In Nederland kreeg de auto veel
publiciteit dankzij zijn beroemde bezitter Johan Cruijff.
Drie van de in totaal 267 keer
gebouwde M35 Coupé met Wankelmotor.
Prototype nummer 430. De aanduiding
is bewust verwarrend. Zo veel zijn er nooit gemaakt.
Het project GS Birotor bleek
commercieel een miskleun. De meeste kocht Citroën terug.
Speciale wieldoppen, licht
uitgebouwde wielkasten en een eigen kleur onderscheiden de Wankelversie van een
gewone GS.
Joegoslavië
We gaan een hal verder en maken een sprongetje in de tijd. Hier staan de jongere
modellen die we ons nog herinneren als dagelijkse weggebruikers. Fradet heeft de
zogeheten young timers pas later aan zijn verzameling toegevoegd en deze hal er
speciaal voor laten bouwen. De GS is een van die jongere Citroëns, hoewel
inmiddels al fors op leeftijd. In 1971 werd het model auto van het jaar, ondanks
twee tekortkomingen. Omdat de topman van het bedrijf er een hekel aan had, moest
de auto het doen zonder grote achterklep en vanwege de Franse belastingen lag er
een te kleine motor in. Dat laatste werd snel aangepast, voor de vijfde deur
moesten we wachten tot de komst van de GSA. Beide typen zijn te zien in allerlei
variaties.
De meest bijzondere is een GS met vier ronde koplampen. Of eigenlijk is de
typeaanduiding G Super. De lampen zijn geen aanpassing
door de eigenaar, maar een karakteristiek van de Cimos, een product van de
samenwerking tussen de Franse fabrikant en Tomos in Joegoslavië. In dat land
werd deze GS gemaakt, met gebruikmaking van lokale toelevering, zoals banden van
het merk Sava. Circa 15.000 exemplaren van de Cimos zijn er gebouwd. Ook de
2CV6, Ami 8 en Dyane werden in de Joegoslavische fabriek in elkaar gezet. (De
Dyane heette daar overigens Diana.) In 1985 eindigde het samenwerkingsverband.
Een ander partnerschap tussen West- en Oost-Europa leidde tot de Roemeense
Oltcit, een soort driedeurs Visa. Als onderdeel van de overeenkomst was Citroën
verplicht er een aantal af te nemen. Die werden in Frankrijk en ook bij ons als
Axel in de showroom gezet. Een lage prijs was de sterkste troef, maar de
kwaliteit liet te wensen over. En dat terwijl de eisen die aan de Westerse
modellen werden gesteld, hoger waren dan die aan de auto’s voor het thuisland en de
communistische bondgenoten. Hier in Castellane staat een Axel Enterprise, de
besteluitvoering, ofwel de personenversie zonder achterbank.
De afdeling Citroën GS.
De sedan had vier deuren. Een grote
achterklep was voorbehouden aan de Break.
Pas de GSA kreeg een 'vijfde deur'.
Deze GSA Spécial is van 1984.
Nabootsing van de reclamespot voor
de nieuwe GSA: de rode loper wordt uitgerold.
De naam Pallas keerde terug voor de
luxe versie. Deze is voorzien van een automatische versnelling.
De voorzijde van de GSA met
kunststof bumpers verschilt sterk van die van de GS.
De Joegoslavische G Super met onder
meer afwijkende wieldoppen.
Het meest in het oog springende
verschil: de vier ronde koplapmen.
De Axel van 1986 (een bestelwagen) is
een Roemeense Oltcit, door Citroën in het Westen verkocht.
Varkenssnoet
In 1978 introduceerde Citroën de Visa, een model onder de GS en een auto in twee
gedaantes. Als (verre) opvolger van de Ami was er de versie met een
tokkelende tweecilinder luchtgekoelde motor van 652 cc. Daarnaast was er de
variant met de 1124 cc Peugeot-motor die de wagen een heel ander karakter gaf.
Hoewel de techniek voor een groot deel van Peugeot kwam, kreeg de Visa een
geheel eigen uiterlijk. Naar goede Citroën-traditie was dat niet onomstreden.
Het samengaan van grille en voorbumper leverde de weinig vleiende bijnaam
'varkenssnoet' op. Het instrumentarium bestond uit twee satellieten aan
weerzijden van het stuur, die evenmin iedereen konden bekoren. Al relatief snel
kwam er een stevige facelift, waarna de verkopen omhoog schoten. Het spreekt
voor zich dat beide versies hier te zien zijn.
Net als de Visa en GS/GSA kent de grote CX twee generaties. Ze zijn uiterlijk
duidelijk onderscheiden. De ontwerpers gaven de voorkant een ander aanzien om de
levenscyclus van het model op te rekken. Omdat ze hier enkele meters van elkaar
staan, is het gemakkelijk vergelijken. Onze verzamelende gastheer heeft ook
hiervan uiteenlopende varianten, zowel de vierdeurs als de Break.
Liefhebbers van het merk strijden soms over de vraag welk model de laatste echte
Citroën was. Voor Fradet behoren de AX, BX, XM en Xantia in elk geval ook nog tot de
familie. Hiervan heeft hij er ook weer een aantal, zij het veel minder dan van de
eerdere typen.
Het bloed kruipt waar het niet gaan
kan. Hoewel de LNA maar zeer beperkt het DNA van Citroën in zich heeft, wilde Fradet
er kennelijk toch een voor zijn verzameling. Het is geen eigenzinnig, tegendraads
ontwerp, maar uiterlijk een gekloonde Peugeot.
Twee generaties Visa. In dit geval
allebei met een viercilinder motor. Pas na de facelift werd het een succesmodel.
Je kunt de Visa op twee plaatsen in
het museum tegenkomen. Bij de boxermodellen en bij de young timers.
De sectie met de Citroën CX in
verschillende versies.
Links het oorspronkelijk ontwerp,
recht na de facelift.
Een CX 2400 GTI (1981) met
opmerkelijke accessoires, zoals extra lampen en opvallende velgen.
Aan de kunststof bumpers herken je
direct de tweede generatie.
De reusachtige Break van de eerste
generatie...
...en van de tweede.
Twee keer een XM. Let op de
verschillen bij de grille en bumper.
De BX (van na de facelift) en zijn
opvolger, de Xantia.
Hoeveel Citroën-DNA is terug te
vinden in de LNA? Het koetswerk is puur Peugeot en veel van de techniek ook.
Sahara
We maken een sprong terug in de tijd, naar de jaren vijftig. We zijn in de linkerhal
gekomen bij de 2CV en daarvan afgeleide modellen als de Ami, Dyane en Méhari.
De oudste Eend is van 1954 met nog geen 7000 kilometer op de teller. Uiteraard
niet gerestaureerd. De wagen heeft nog een bagage-afdekking van stof en de
ribbeltjes-motorkap die tot eind 1960 werd gebruikt. Fradet zag de auto op het
omslag van een Citroën-magazine en wilde hem hebben. Hij moest zes jaar zijn
geduld bewaren voordat de eigenaar bereid was hem te verkopen.
Tegen het einde van de loopbaan van de in 1948 gepresenteerde 2CV kwam Citroën
in de jaren tachtig met de succesvolle Charleston, eerst in het rood met zwart,
later ook in het grijs met zwart. De rood-zwarte hier is zo goed als nieuw. Er
is maar 700 kilometer mee gereden.
Twee ‘besteleenden’ maken het verhaal van de 2CV af. Fradet bezit ook een
Sahara, een Eend met twee motoren en vierwielaandrijving. Om de opzet te tonen, zijn koetswerk en onderstel gescheiden. Zo is mooi te zien dat de
bestuurder en bijrijder letterlijk boven op de benzinetank zitten.
Tussen 2CV en DS zat een gat dat de fabrikant met een tussenmodel wilde dichten.
Dat werd de Ami, eerst als 6 met de ‘omgekeerde’ achterruit, later als 8 met
schuine achterkant maar zonder vijfde deur. Aan de 6 veranderde gedurende de
looptijd nauwelijks iets, behalve de vorm van de grille en de achterlichten. Natuurlijk ontbreekt de
Ami Break niet - een 6 en een 8 -
net zo min als de luxe Club met dubbele ronde koplampen.
De auto waarmee de liefde begon: de
2CV.
Vele jaargangen en uitvoeringen,
allemaal met weinig kilometers op de teller.
De drie oudste modellen van dit
type, nog met de geribbelde motorkap en grote grille.
De oudste 2CV van Fradet is van
1954. Slechts 7000 kilometer is ermee gereden.
In de beginjaren was er nog geen
koffer'klep', maar gewoon doek als afscherming van de kofferbak.
Verschillende generaties met
afwijkende grilles. De twee linker hebben nog geen richtingaanwijzers op de
spatborden.
Een AZAM (1965), afscheid van de
'zelfmoorddeuren'. De scharnieren zaten voortaan aan de voorkant.
Om de ruitewisserbladen te
beschermen zijn ze van de ruit geplaatst. Met - we zijn in Frankrijk! - een
wijnfleskurk.
Eenden met en zonder een derde
zijruitje.
Een van de laatste met de oude
motorkap, van september 1960. De auto heeft zo'n 7400 kilometer gelopen.
Een 2CV Sahara, met
vierwielaandrijving en twee motoren.
Je zit letterlijk op de benzinetank.
Rechts de motorkap met ruimte voor het reservewiel.
Door deze presentatie komt de opzet
van de Sahara goed naar voren.
Niet meer dan een geintje, een
golfkarretje met een 2CV-snuit.
De luxe Eend die het nooit zo ver
bracht als het origineel, de Dyane.
Een kleine serie bedrijfswagens.
De 'Besteleend' (Citroën AZ) met de
eerste grille/motorkap en een latere versie.
Acadiane en HY: ook bij ons destijds
vaakgeziene bestellers.
De collectie omvat ook een
hele serie Ami's.
Ami 6 als vierdeurs en als vijfdeurs
Break.
Rechts de Ami 6 Club (van 1969) met
dubbele lampen. Let ook op de gewijzigde grille.
Deze grille is niet standaard, maar
komt van een accessoires-aanbieder.
De 'omgekeerde' achterruit van de
Ami 6 maakte plaats voor een schuine achterkant van de 8.
Ook hiervan zijn zowel de vierdeurs
als de Break present.
De Ami Super (2200 km op de teller)
heeft een GS-motor en is herkenbaar aan de grille.
De basis vormt de techniek van de
2CV, ook voor de plastic Mëhari.
De voorzijde van de Méhari
werd na enkele jaren strak getrokken. Vergelijk de jaargangen 1972 en 1986.
Bedevaartsoord
Alleen maar Citroëns en veel dezelfde modellen. Kan een museum als dit dan
interessant zijn? Het antwoord is eenvoudig: ja! De ongerestaureerde auto’s
tonen het verhaal van een merk dat zich altijd heeft gepresenteerd als anders
dan andere. Wie langs de Eenden, de DS’en en zelfs de latere modellen loopt,
ziet wat dat inhoudt. Voeg daarbij de anekdotes en verhandelingen van de
enthousiaste en deskundige eigenaar en Castellane is voor Citrofielen een
verplichte bedevaartsoord en voor algemenere liefhebbers een plek om zeker langs
te gaan. Overnachten kan op de camping aan de overkant. Of natuurlijk in een
hotel in het dorp. En wie aan de hitte wil
ontsnappen: in het hoogseizoen opent Fradet ook in de ochtend de deuren
van zijn Citromuseum. ■
Indrukwekkende landschappen rondom
de Gorges du Verdon.
Een mooie omgeving voor wie wat meer
wil zien dan alleen oude Citroëns!